Laatst bijgewerkt: zondag 13 maart 2016

Zuivelgeschiedenis Grolloo

Het eerste deel is uit de Zuivelhistorie Nederland. Het tweede deel is geschreven door de heer L. Beijering Azn, voormalig melkveehouder te Grolloo, en gepubliceerd in de Kloetschup, het tijdschrift van het Rolder Historisch Gezelschap. (L. Reinders, dec. 2009)

Deel 2:
De geschiedenis van ruim 70 jaar zuivelfabriek in Grolloo

L. Beijering Azn.

"Een pondje boter voor een stoter"

Totdat aan het eind van de 19e eeuw (1900) de eerste melkfabriekjes in Drenthe verschenen, werd de melk op de boerderijen verwerkt tot boter. In onze regio was het boter maken een beperkt gebeuren want op veel boerenbedrijfjes was het houden van schapen nog een behoorlijke bron van bestaan. Het grootste deel van het inkomen ging op in de huishouding en maar een klein deel van de melkopbrengst werd aan de boterbereiding besteed. De boter werd voor het grootste deel bij de kruidenier en andere leveranciers geruild voor andere waren.

Het is duidelijk dat de boeren bij ruilhandel volledig afhankelijk waren van hun afnemers. Uit die tijd stamt dan ook het gezegde "een pondje boter voor een stoter" (12,5 cent) wat wel duidelijk maakt dat het de boerenstand niet voor de wind ging.

De kwaliteit van de boter liet nogal eens wat te wensen over, op de boerenbedrijven werd de reinheid niet overal even goed in acht genomen. Er werd veel boter van 2e, 3e en zelfs van 4e keur geproduceerd. Daarom schreef het Drents Landbouw Genootschap (DLG) in 1852 een prijsvraag uit. Door deze prijsvraag moest de beste manier van boterbereiding naar voren worden gebracht. Dat dit niet het gewenste resultaat opleverde laat zich raden, openheid was nog nooit het sterkste punt. Dat ook anderen zich met het boterprobleem bezig hielden, blijkt uit het feit dat de apotheker J.A. Boom uit Meppel het DLG een flesje boterkleursel uit Denemarken aanbood. Het resultaat was, dat de kwaliteit van de boter er niet beter op werd. Maar Boom gaf niet op. Hij ging door tot 1883 en de smaak werd steeds beter. In die periode voltrokken zich nogal wat veranderingen op mechanisch gebied, ook in de agrarische sector. Door het uitvinden van de centrifuge werd het mogelijk om de melk mechanisch te ontromen. In de grotere veegebieden zoals Friesland ontstonden de eerste fabriekjes om de melk mechanisch te verwerken. Maar in Drenthe was nogal wat wantrouwen tegen deze ontwikkeling. Wie zou hier beter van worden? De boer zeker niet. Ook de boerinnen zagen botermaken door "heren" die niet van de boerderij kwamen, niet zitten. Botermaken was vrouwenwerk.

Een commissie van het Drents Landbouw Genootschap bracht in 1887 een rapport uit over de boterfabriek te Kloosteranjum bij Berlikum (Fr.). Deze fabriek, 12 meter lang, 5 meter breed en 3 meter hoog, slaagde er in om van 31 liter melk één kilo boter te produceren terwijl de investeringen niet zo groot waren. De bouw van deze fabriek kostte f 1200. Voor machines en gereedschappen moest f 2500,- betaald worden. Deze gegevens waren mooi, maar niet overtuigend genoeg. Pas toen bekend werd, dat er voor deze mechanisch bereide boter op de Leeuwarder markt f 4,00 boven de hoogste marktprijs werd betaald, en voor handgekarnde boter f 3,- á f 4,- onder deze marktwaarde, werd de stemming anders. Geld veranderde ook toen al meningen. En, voor het bereiden van boter van de eerste keur zou een fabriek zeer welkom, ja zelfs noodzakelijk zijn. Zo komt er dan ook in het veerijke gebied achter De Wijk de eerste melkfabriek van Drenthe, aan de Rogatsluis.

'Vooruitgang zij ons doel'

Dat was het begin. Al snel volgden er meer. In 1897 waren er 56 zuivelfabriekjes in Drenthe. In 1894 werd ook in Grolloo een zuivelverwerkende fabriek gebouwd.

De naam van deze melkfabriek was:
Coöperatieve vereniging "Vooruitgang zij ons doel" ene zuivelfabriek tot bereiding van roomboter in Grolloo. Het bestuur bestond uit 7 leden die verantwoordelijk waren voor het beheer van de fabriek en het te gelde maken van de boter. Voor zaken als aan- en verkoop of het ruilen van vaste goederen van de vereniging, of van het sluiten van geldleningen had dit bestuur een machtiging van de aandeelhouders nodig. Dit gold ook voor uitbreidingen aan de fabriek. Er werden 103 aandelen uitgegeven á f 10,- totaal f 1030,-. Geleend werd van de diaconie der hervormde kerk te Grolloo f 700,-, van de markegenoten van Grolloo f 100,- en van timmerman Roelof Weggemans die de fabriek mocht bouwen f 180,-. Dit alles tegen een rente van 4% per jaar. De totale stichtingskosten bedroegen dus f 2010,-. Dat de leden het bestuur niet al te veel ruimte gaven is wel logisch want alle leden in het algemeen en elk lid in het bijzonder was aansprakelijk voor de schulden die door de vereniging werden gemaakt. Als eerste bestuursleden werden benoemd: Tiemen Boerema, godsdienstonderwijzer te Grolloo en de landbouwers Jan Hagting, Egbert Pieter Hoben, Albert Huizing, Arend Hofsteenge, Hendrik Zijgers en Berend Hilberts. De oprichting werd geregistreerd op 4 oktober 1894 door notaris Hendrik van Lier te Assen.

Het fabriekje verrees aan de kleine brink en staat er (na verbouwing) nog steeds, nu Voorstreek no. 5. In de volksmond wordt het pand vooral door ouderen 't aol febriekie genoemd. Het was een handkracht fabriek, die door middel van "draaiers" in beweging gehouden werd. Als eerste directeur werd benoemd de heer R. Thies uit Deurze. Die werd na twee jaar al opgevolgd door de heer Geerts, die het roer weer overgaf aan de heer Kuiper en die weer aan de heer Smit. Vervolgens kwam B. Lutken en daarna A. Borgman. In 1908 werd H. Lunsing directeur. In de eerste 14 jaar waren er dus zeven directeuren. Was dat het gevolg van een moeilijke baan, of van een moeilijk bestuur? Of misschien vanwege de snelle ontwikkelingen op zuivelgebied en daardoor meer sollicitaties?

De eerste zuivelfabriek van Grolloo ('het aolefebriekie' genoemd) stond in 1894 op de Kleine Brink aan de Voorstreek, hier op een prentbriefkaart uit de jaren '30 van de vorige eeuw. Het pand wordt na een grondige verbouwing nog steeds bewoond.



In het begin werd de melk per kruiwagen of per hondenkar aangeleverd, want van een melkrijder was toen nog geen sprake. Toch kwam er in het begin al zo'n 600 liter melk per dag binnen. Om de kwaliteit te bewaken, had het bestuur een aantal regels opgesteld. Het was verboden om melk aan te nemen van boeren die geen lid van de vereniging waren. Ook melk van ongezonde koeien was niet gewenst. Melk mocht niet afgeroomd of vermengd zijn. Zij moest goed geteemst (vrij van ongerechtigheden) zijn. Bij melk die het nodig geachte roomgehalte niet had, had men geen belang. Ook was het verboden om de eerste melk van een koe die op de markt gestaan had te leveren, evenals de melk van koeien binnen 6 dagen na het kalven. En tenslotte was het verboden melk in onreine vaten of in overgangstoestand aan te bieden.

Door deze manier van handelen ging de kwaliteit van de melk en daardoor ook die van de boter er op vooruit. De melk moest worden geleverd in de door de fabriek aangekochte kannen (melkbussen). Voor de zuiverheid van deze melk leverde de fabriek ook de teemsen. Uiteraard werden deze investeringen aan de leden doorberekend. Ook was ieder lid verplicht zijn aandeel in de ontroomde melk terug te nemen. Wat de karnemelk betreft, hierover besliste het bestuur.

Zuivelbond

Toen aan het eind van de negentiende eeuw overal in Drenthe boterfabriekjes verschenen, waren er nog geen kwaliteitseisen. Hierdoor verschilde de kwaliteit van de boter per fabriek. Dit veroorzaakte natuurlijk ook nogal wat prijsverschil en dus verschil in uitbetaling per fabriek. Dit prijsverschil leidde mede tot grotere samenwerking. Ook het bestuur van de fabriek te Grolloo was hiervan doordrongen. In 1896 werden op oud-Drentse wijze (met de boerhoorn) de besturen van verschillende fabrieken bij elkaar geroepen in het Grollerholt. Hier werd in principe besloten om te komen tot het oprichten van één bond. Vijftien fabrieken traden toe als lid, één jaar later op 11 mei 1897 werden de statuten koninklijk goedgekeurd. De bond van coöperatieve zuivelfabrieken in Drenthe was geboren. Als eerste voorzitter werd benoemd J. Som er, arts te Rolde; T. Boerema, godsdienstonderwijzer te Grolloo werd secretaris.

De fabriek in Grolloo draaide naar wens. Doordat steeds meer boeren hun melk leverden, kon er een melkrijder worden aangesteld. In 1912 traden ook de boeren uit Schoonloo toe als lid, hetgeen de omzet flink deed stijgen. Deze omzetstijging maakte ook dat men moest uitzien naar andere verwerkingsmethoden. Op voorstel van het toenmalig bestuur, bestaande uit de heren A. Huizing, M. Wolting, H. Reinds, H. Zijgers, W.L. Sijbring, Hrs. Venema, A. Smit, L. Beijering en P. Takens, werd besloten om een nieuwe fabriek te bouwen onder de naam: Coöperatieve Stoomzuivelfabriek en Korenmaalderij 'Vooruitgang zij ons doel'. Een en ander werd op 25 maart 1914 statutair vastgelegd en op datzelfde moment werden de statuten van 1894 nietig verklaard. Dat de landbouw intussen behoorlijke sprongen had gemaakt, blijkt wel uit het feit dat niet alleen de handel in zuivelproducten en aanverwante artikelen, maar ook de aankoop van kunstmest en veevoer evenals het malen van graan in deze statuten werd opgenomen. Alle leden hadden stemrecht: tot 8000 kg. geleverde melk één stem, van 8000 tot 20000 kg. twee stemmen en boven 20000 kg. drie stemmen. De in 1908 benoemde directeur H. Lunsing werd nu directeur van de nieuwe fabriek. De bouw van deze fabriek werd in 1914 gegund aan aannemer D. de Klein uit Assen. Door de nieuwbouw, inclusief aanschaf van machines en dergelijke, ontstond een schuld van f 24000,-. Ook financieel was er dus het een en ander veranderd. Tijdens de bouw brak de Eerste Wereldoorlog uit, waardoor moeilijke tijden aanbraken. Veevoer was bijna niet te krijgen en de melkaanvoer slonk zienderogen. Door goede samenwerking en eensgezindheid hield men de fabriek draaiende. De melkaanvoer begon weer te stijgen en reeds in 1917, dus nog tijdens de oorlog en drie jaar na de oprichting van de stoomzuivelfabriek had men een aanvoer van 675.805 liter per jaar. Toen in 1924 ook de boeren uit Schoonoord hun melk in Grolloo afleverden, steeg de omzet opnieuw behoorlijk. Vanaf het begin in 1894 werd de melk aangevoerd en verwerkt op werkdagen en op zaterdagavond zodat er op zondag niet gewerkt behoefde te worden. Uiteraard kwam dit de kwaliteit van de melk niet ten goede. Vooral in de zomer gaf dit problemen. Van koeling zoals wij die nu kennen, was toentertijd immers nog geen sprake. Van diverse kanten was er al vaker op aangedrongen om ook op zondag de melk te verwerken. In de vergadering van 2juni 1928 werd dan ook besloten om ook op zondagen tot verwerking van de melk over te gaan, zowel in de zomer als in de winter.

Samenwerking

In september 1925 werd de aankoop van kunstmest via de zuivelfabriek gestopt en ging men over tot oprichting van een landbouwvereniging. Deze vereniging, onder de naam "Samenwerking", kreeg een eigen bestuur bestaande uit de heren J. Beijering Hzn, J. Jansen en J. Ratering voor Grolloo. Voor Schoonloo namen zitting L. Beuker en L. Beijering. Deze vereniging ging volledig onafhankelijk van de zuivelfabriek verder. Bijna 30 jaar later, in 1954, werd besloten om de aankoop van kunstmest weer onder te brengen bij de zuivelfabriek en ging men over tot de bouw van een loods met drukvaste wanden om losgestorte meststoffen op te slaan. Uiteraard was het doel om goedkoper in te kopen.

Maalderij

In 1927 ging men in op het advies van het bestuur en werd de maalderij uitgebreid. Er werd een gedeelte bij gebouwd, er kwamen jacobsladders om graan omhoog te transporteren en men schafte een koekbreker aan. In de jaren daarna kwam er ook nog een hamermolen om de capaciteit te vergroten. In het begin van de vorige eeuw (1900) was de verbouw van graan een van de hoofdbestanddelen van het 'bouwplan' van de boeren, ook in Grolloo. Doordat er toen nog weinig andere veevoeders op de markt waren, was graan in combinatie met ondermelk (of volle melk) nog steeds het voer voor rundvee en varkens.

De eerste mulder Bastiaan Luinge
Het interieur van de maalderij in 1950. De oude bascule was reeds vervangen door de moderne weegschaal. Jan Vijfschaft als laatste mulder.
De eerste machinist Albert Geerts.



Door de opkomst van veevoederfabrieken die het beter samengestelde veevoer produceerden zoals plaatkoek of later brokjes, nam het werk in de maalderij af. Er werd nog slechts op bestelling gemalen - een veel te kostbare zaak. Dus werd de maalderij weer gesloten. In de beginjaren werd de melk door de boeren zelf op verschillende manieren aan de fabriek afgeleverd. Nadat de melkproductie steeg, ging men over tot het laten ophalen van de melk en ontstond het vak van melkrijder.

Een blik op de melkontvangst omstreeks 1935.



Een elke dag terugkerend zwaar karwei. Eerst reed de melkrijder nog met paard en wagen met houten wielen met ijzeren beslag, later werden dit luchtbanden en nog later kreeg deze 'melkboer' een speciale platte wagen, veelal getrokken door een tractor. Vroeg in de morgen werd begonnen met het ophalen van de bussen die door de boeren aan de weg geplaatst werden. De volle bussen werden bij de fabriek afgeleverd waarna de verwerking kon beginnen. De melk vanaf Schoonoord kwam per particuliere vrachtrijder. De melkontvangst gaf elke dag weer een drukte van belang aan de voorkant van de zuivelfabriek. Later kwam de Rijdende Melk Ontvangst (RMO): een tankwagen die de melkbussen leegzoog, de bussen reinigde en de melk aan de fabriek afleverde. Tegenwoordig wordt de melk op de boerderij in koeltanks opgeslagen en later door tankauto's opgehaald en aan de zuivelfabrieken afgeleverd.

Voor een goed produkt is goed melken van groot belang. Daarom werden door het bestuur van de zuivelfabriek de zgn. "melkers cursussen" georganiseerd. Hier een groep deelnemers.
Staande van links naar rechts: Jan Oosting uit Odoorn, de voormelker, Marchien Meyers, Aaltje Jansen, Hendrik Haange, Jacob van Rein, Lucas Sijbring, Hendrik Lunsing (directeur van de fabriek).
Aan het melken: Bastiaan Haange, Jan Stevens, Jan Hofsteenge. Marchien Sijbring gooit de emmer leeg.
Liggend: Jan Langejans Sijbring, Jan Meyers en rechts naast de bussen Reinder Dilling en Jan Jansen.



In 1949 werd besloten om melk aan de Drentse Onder Melk Organisatie te gaan leveren.

Deze DOMO leverde de melk aan het Amerikaanse bezettingsleger in Duitsland. Aan de levering van deze melk werden echter nogal wat eisen gesteld. Zo moest het vee tbc-vrij zijn. Dat dit niet altijd het geval was, blijkt uit het feit dat 125 gulden werd gegeven voor het ruimen van een niet tbc-vrij rund. Door de omzetvergroting werd in 1950 besloten om de fabriek te verbouwen ten behoeve van een grotere opslag voor de DOMO. Ook werd er een dubbele woning voor het personeel gebouwd. Na 43 jaar zijn beste krachten voor de zuivelfabriek in Grolloo te hebben gegeven, ging directeur Lunsing in 1951 met pensioen. Hij werd opgevolgd door de heer K. de Raad. Mede door een eis van het Amerikaanse leger aan de DOMO werd in 1954 begonnen met bestrijding van abortus bang.

Links de kunstmestloods, gebouwd in 1953. Rechts de nieuwe kantoren en koelcellen en opslagplaats koeltanks, waarboven de uitkijkpost van de B.B. werd gebouwd. Uiters rechts zien we nog juist de nieuwe directeurswoning. Alles gebouwd in 1956.



In 1956 werd een nieuwe directeurswoning gebouwd. Op de plaats van de oude woning kwamen kantoorruimten en een koelcel voor huishoudelijke producten. Er werd een begin gemaakt met de verkoop van melkproducten. Deze verkoop nam in korte tijd zo'n grote vlucht dat er al snel een venter aangesteld kon worden. Deze venter maakte eerst gebruik van een bakfiets, later kwam hij rond met een ponykar en tenslotte met een speciale zuivelauto.



In 1961 werd besloten om een grote loods te bouwen ten behoeve van opslag op pallets en tot de bouw van silo's voor graanopslag. In 1963 was deze uitbreiding niet meer voldoende en besloot men om er nog enkele silo's bij te plaatsen. Het eerste fabriekje, waar men in 1894 was begonnen, werd in 1963 verkocht aan de heer H. Kuipers. In de grote loods bouwde men een winkel voor allerhande artikelen ten behoeve van boer en burger. Maar nog steeds werd de melk in Grolloo ontvangen en verwerkt.

De winkel van de CLM in 1986. In de deuropening Lens Beijering Hzn.



Door de stijging van personeelslasten, de hoge transportkosten en de noodzaak tot vernieuwingen in de techniek moest er opnieuw geïnvesteerd worden. Om deze kosten te bedwingen bouwde de DOMO een groot melkontvangststation in Beilen. Veel van de Drentse zuivelfabrieken werden lid en leverden hun melk af in Beilen. Het bestuur en de leden van Grolloo wensten echter zelfstandig te blijven en zochten contact met de besturen van de fabrieken in Rolde en Anloo.

Melkontvangst. Hier levert Lens Beijering Hzn. de bussen af zan zijn melkrit.



In 1968 kwam men tot een overeenkomst en onder de naam 'Samenwerking' gingen de drie fabrieken verder. Maar de ontwikkelingen in de zuivel gingen zo snel dat men in 1970 reeds moest besluiten om de melkontvangst in Anloo en Grolloo te stoppen en deze alleen in Rolde te doen plaats vinden. Enkele jaren later werd de fabriek in Grolloo verkocht en na verbouwing als garagebedrijf gebruikt. In de jaren negentig van de vorige eeuw werden de loodsen en het terrein achter de fabriek aan de gemeente verkocht. In 1997 zijn daar acht woningen gebouwd. Ook de tot garage verbouwde fabriek maakte plaats voor woningbouw. In 2006 werd de fabriek gesloopt ten gunste van de bouw van zeven woningen.

Garagebedrijf Siem Dijkstra in de voormalige melkfabriek

Wat in 1894 was begonnen als een boterfabriek op handkracht met 600 liter verwerkte melk per dag was in 1964, bij het zeventig jarig jubileum, uitgegroeid tot een stoomfabriek met een aanvoer van 5 miljoen liter melk per jaar. Was het eerste melkfabriekje opgericht om een betere melkprijs te krijgen, om dezelfde reden werd de fabriek in 1970 weer gesloten. En zo kwam er een eind aan een onderneming die een belangrijke bijdrage leverde aan de dorpseconomie. Dit alles is nu verleden tijd maar de herinnering aan het Grolloër zuivelgebeuren onder de naam VZOD blijft. 

logo vvv rwb

Deze website wordt mogelijk gemaakt dankzij financiële ondersteuning van

Vereniging voor Volksvermaken te Grolloo.

De vereniging verkrijgt deze middelen dankzij sponsoring en verlotingen.

De bijdrage maakt deel uit van de begroting van het vijfjaarlijkse Grolloo is Zo!-evenement.