Brandpreventie

 

Over de twee grote branden van Grolloo is relatief veel bekend. Volstrekt logisch, want deze hadden een enorme impact in het dorp. Wat was er eigenlijk aan blusmiddelen? Hoe was dat geregeld?

We weten van de brandkuil aan de Schoolstraat (in het verleden een deel van de Achterstreek) en de brandspuit, welke in een schuurtje heeft gestaan dat tussen Middenstreek 3 en 5 moet hebben gestaan, maar waar we tot op dit moment geen tekening, laat staan een foto, van hebben.

Dat er in de gemeenteraad van de gemeente Rolde werd gesproken over de watervoorziening blijkt uit onderstaande krantenartikelen.We spreken dan over het jaar 1901 en dus 14 jaar voor de eerste grote brand.

 

19010519 krant PDAC brand bluswatervoorziening

19010519 krant PDAC brand bluswatervoorziening

 

19010818 krant NvhN brand bluswatervoorziening

19010818 krant NvhN brand bluswatervoorziening

 

Ook in 1901 is een verordening ter voorkoming van brand en het blussen daarvan vastgesteld. Hieronder de tekst van deze verordening.

 

De BURGEMEESTER en WETHOUDERS van Rolde doen te weten, dat door den Raad dier gemeente in zijn vergadering van den 28 Juni 1901 is vastgesteld de volgende verordening:

VERORDENING tot voorkoming en blussching van brand.

Art. 1
Het is verboden nieuw getimmerde, geheel of gedeeltelijk vernieuwd wordende gebouwen in de kommen der dorpen Rolde en Grollo met stroo, riet of heide te dekken. Van dit verbod kunnen Burgemeester en Wethouders schriftelijk ontheffing verleenen.

Art. 2
De nieuw te bouwen schoorsteenen moeten geheel van steen worden gemetseld ter hoogte van ten minste 0.75 meter boven den nok van het gebouw. In die schoorsteenen mag geen hout worden aangebracht, tenzij het aan de binnenzijde geheel met plaatijzer wordt bekleed. De schoorsteenen, welke vóór de invoering dezer verordening zijn daargesteld en niet voldoen aan de vorenstaande vereischten, moeten, zoodra dit door Burgemeester en Wethouders wordt noodig geacht, na deswege gedane aanzegging overeenkomstig die bepalingen worden ingericht.

Art. 3
De schoorsteenen zullen geheel dicht en zuiver moeten worden gehouden.

Art. 4
Alle schoorsteenen moeten aan den buitenkant, voor zoover binnenshuis, met goede specie, ter beoordeeling van Burgemeester en Wethouders, zijn aangestreken, zoodat nergens eene opening merkbaar is.

Art. 5
Tot berging van het vuur aan den haard moet daarbij voor iedere stookplaats eene van steen gemetselde aschkolk aanwezig zijn, waarin des nachts en voor den tijd dat er niemand te huis is ook des daags, het vuur moet worden geborgen, of wel moet daartoe worden gebezigd een ijzeren vuurstulp die het vuur bedekt.

Art. 6
Het is verboden:

a. buiten de gebouwen of in de opene lucht bakovens, fornuizen en dergelijke stookplaatsen te hebben op korteren afstand dan van tien meter van woonhuizen of getimmerten, tenzij met bij- bijzondere vergunning van Burgemeester en Wethouders;
b. asch van den haard buiten te brengen in houten emmers, bakken of vaten of die daarin binnenshuis te laten staan, dan nadat zij in beide gevallen met water geheel zal zijn gebluscht;
c. zoodanige asch te bergen binnen huizen of getimmerten anders dan in voorwerpen van steen, ijzer of andere onbrandbare stoffen vervaardigd, in de opene lucht anders dan' in hokken van steen opgetrokken of in kuilen bedekt met zand, en die niet binnen den afstand van tien meter van huizen, getimmerten en brandbare stoffen mogen geplaatst zijn, tenzij zulks door Burgemeester en Wethouders speciaal op eene door hen aan te wijzen plaats mocht zijn vergund;
d. pijpen van kachels, fornuizen of andere vuurtoestellen te leiden door muren, daken of ramen naar buitenshuis, door zolders, beschotten of andere brandbare stof, tenzij die brandbare stof op eenen afstand van ten minste tien centimeter van alle zijden der pijp verwijderd zij en de opening met eene ijzeren plaat of andere onbrandbare stof wordt aangevuld en dan nog altijd met toestemming van Burgemeester en Wethouders ; Pijpen van stooktoestellen, buiten rieten- of stroodaken uitstekende, zullen minstens twee nieter boven dat dak moeten uitsteken en aan alle kanten door pannen zonder dokken ter breedte van twee meter worden omgeven.
e. vee op de stallen te drenken uit ketels of potten, waarin de drank is te vuur geweest;
f. binnen den afstand van vijf meter van huizen of gebouwen turf, zoden, plaggen takkebossen, hooi, stroo of ongedorscht koren in hoopen te hebben;
g. buiten de huizen of gebouwen vuur te stoken, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, behalve in kookpotten omheind door een muur en op minstens drie meter afstand van een gebouw; h. in schuren, stallen of werkplaatsen en in het algemeen daar, waar brandbare stoffen aanwezig zijn, zich te bedienen van een ander licht dan van eene goede en geslotene lantaarn; u aan timmerlieden, metselaars of dekkersom in, bij of binnen den afstand van vijf meter van een gebouw hun bedrijf uitoefenende te rooken zonder dat de pijp door een dop is gedekt.

Art. 7
In iedere woning zal ten minste één dichte lantaarn en één emmer aanwezig moeten zijn, de laatste voorzien van het huisnummer.

Art. 8
De berging van hooi en andere brandbare stoffen en de bewaring daarvan zijn aan het toezicht van Burgemeester en Wethouders of die 't van hunnentwege uitoefenen onderworpen en ieder is verplicht de daaromtrent door hen of hunnentwege uit het oogpunt van brandpolitie gegeven bevelen na te leven.

Art. 9
Tweemaal in het jaar, op tijdstippen, vooraf door Burgemeester en Wethouders bekend te maken kunnen zij, of zij die van hunnentwege daarvoor worden aangewezen, alle woningen en getimmerten en de aanhoorigheden daarvan opnemen ten einde de richtige nakoming van de voorschriften dezer verordening te verzekeren. Niettemin hebben zij de bevoegdheid tusschentijds die opneming te doen of te laten doen, zoo dikwijls als ze dit geraden oordeelen.

Art. 10
Ieder die brand ontdekt is verplicht daarvan onverwijld kennis te geven of te doen geven aan den Burgemeester of die hem vervangt of aan den naastbij wonenden brandmeester.
Art. 11
Iemand bij nacht brand in een huis ontdekkende is verplicht de bewoners daarvan en de belendende huizen dadelijk op te kloppen en verder door het overluid roepen “brand” van het gevaar te verwittigen.

Art. 12
Het personeel van de brandweer bestaat uit:

a. één opperbrand meester en één plaatsvervanger ;
b. twee brandmeesters in het dorp Rolde, twee te Grollo en in ieder gehucht één brandmeester;
c. twee oppassers over de brandbluschmiddelen:
d. het overige personeel, waarvau het aantal door Burgemeester en Wethouder wordt bepaald.

Art. 13
De opperbrandmeester, zijn plaatsvervanger en de brandmeesters worden benoemd en ontslagen door Burgemeester en Wethouders, het overige personeel in artikel 12 genoemd door Burgemeester en Wethouders in overleg met den opperbrandmeester. Zij worden voorzien van de noodige aanstelling, waarin uitdrukkelijk melding zal worden gemaakt van den aard der betrekking.

Art. 14
Alle mannelijke ingezeten van 18—50 jaar zijn tot den dienst der brandweer verplicht en gehouden de betrekkingen aan te nemen en te vervullen, die hun uit kracht van het vorig artikel worden opgedragen, behoudens het recht van afkoop van persoonlijke diensten, geregeld bij de betrekkelijke verordening. Van den dienst zijn vrijgesteld:

1. de Gemeente-Ontvanger;
2. de Gemeente-Secretaris;
3. de practiseerende geneesheeren;
4. de ambtenaren belast met de handhaving der openbare orde;
5. de predikanten en godsdienstleeraren der verschillende gezindten;
6. de brievengaarder;
7. de postboden.

Art. 15
De opperbrandmeester zorgt voor de bijhouding van den inventaris der bluschmiddelen. Hij houdt tweemaal per jaar, binnen acht dagen na afloop der na te melden oefeningen en voorts binnen denzelfden tijd na iederen brand, waarbij de bluschmiddelen zijn aangevoerd, inspectie over het materieel en geeft aan Burgemeester en Wethouders bericht of alles goed volgens den inventaris aanwezig en in voldoenden staat is. Hij doet aan Burgemeester en Wethouders voorstellen omtrent de aanvulling van het personeel en zorgt tevens voor de instandhouding, na machtiging van Burgemeester en Wethouders voor de aanvulling, zooveel noodig van het materieel en heeft in 't algemeen het geheele beheer over en de zorg voor de bluschmiddelen. Jaarlijks voor 1 Augustus doet hij aan Burgemeester en Wethouders eene voordracht van 't geen voor het volgende jaar tot verbetering of aanvulling van het materieel noodig zal zijn, met de opgave van de vermoedelijke kosten daarvan. Bij ontstentenis van den opperbrandmeester wordt hij vervangen door zijn plaatsvervanger, of bij ontstentenis van dezen, door een daartoe door den Burgemeester aan te wij zen brandmeester.