Laatst bijgewerkt: maandag 03 januari 2022

 

VOOR DE ZONDAG

VanRuytenbergIn de periode 1949 tot 1955 verzorgde Ds E. van Ruytenberg van de kerkgemeenschap Grolloo/Schoonloo een aantal artikelen onder de naam "Voor de zondag". Hij schreef dit voor de Provinciale Drentsche en Asser Courant.

De heer Van Ruyenberg heeft een belangrijke rol gespeeld in de dorpsgemeenschap. Hij vervulde talrijke bestuursfuncties en was bij het hele dorp en haar inwoners zeer betrokken. Hij is de schrijver van het boekje "Vijftig huizen en een kerk", welke hij schreef naar aanleiding van het 100-jarig bestaan van de kerk. Dit boekje is niet meer verkrijgbaar, maar digitaal te lezen op oldgrol.nl 

 


 

Bron: PDAC 5 november 1949


„Als gij waart, zoals ik nu ben, dan..."

In het leven van Paulus komt een moment voor, waarin hij zichzelf aanprijst als een benijdbaar mens. Misschien kent gij dat wel, dat merkwaardige toneel, als Paulus, de gevangene, staat tegenover de heidense Koning Agrippa. Daar staat dan een gevangen man, die jaren van vervolging en gevaren gekend heeft, die nu in een vestingcel zit opgesloten omdat men hem, politiek gesproken, niet helemaal vertrouwt, en tegenover hem zit een vorst, die zich in alle weelde baadt en aan alle luimen en grillen van zijn leven kan toegeven, en dan zegt deze gevangene, deze veel gesmade en achtervolgde, en hij meent dit in volle ernst: „O koning, ik wenste wel, dat gij waart zoals ik ben." Maar bovendien beschikt hij dan ook nog over zoveel nuchtere zin en humor, dat hij er direct aan toevoegt: „behalve dan natuurlijk de boeien, die ik draag."

Hier ligt een geheim. Wat is dat, dat hem zijn gevangenschap zo moedig doet dragen? Het is ook voor ons belangrijk dat te weten, want tot zekere hoogte zijn we allemaal gevangenen, gevangen en gebonden door de banden van het lot, in de kluisters van het leven.

En nu weet menigeen zich los te maken van dat hunkerend verlangen naar een beter lot, en zich te voegen in zijn gevangenschap. Men moet daar tol zekere hoogte respect voor houden. Men glimlacht tegen het lot, het is nu eenmaal niet anders.

Er zijn ook mensen, die een begin van bevrijding hebben gevonden, dat zij zichzelf over het hoofd zijn gaan zien, zich van eigen moeilijk lot en leven hebben afgewend toen hun ogen opengingen voor de grote ellende van de duizenden daar buiten hen. Maar het gaat in dat koninklijk gebaar en woord van Paulus toch om iets beters en hogers. Waarom voelde hij zich zo rijk, zo benijdbaar, hij de arme, vergeleken bij die rijke koning?

En nu is er maar één antwoord. Dat kwam, omdat er iets met deze mens was gebeurd, iets ontzaglijks, de grootste omkeer en bevrijding, die een mens beleven kan. Hij is door de ontmoeting met Christus zo'n totaal ander mens geworden, dat hij zich als aan een nieuw begin zag geplaatst. Dit had hem zo sterk gemaakt, zo krachtig en overtuigd, dat niets ter wereld daartegen op kon wegen, geen praal, geen pracht, geen enkel levensgenot. En als je nu zó een mens hoort spreken, zo met volle kracht en overtuiging, in vastheid van geloof, dat niets ter wereld hem meer schaden kan, dat hij zich zelfs In zijn ketenen nog benijdbaar weet, en heel wat gelukkiger dan die koning op zijn troon, dan zegt men onwillekeurig: „hoe benijdbaar, hoe ontzaglijk groot is: geloof! Welk 'n rijkdom! En wij? Waarom zijn wij zo niet? Waarom durven wij ons leven niet zo overtuigd aanprijzen als benijdbaar? Of zijn wij niet te benijden? Klinkt dat woord, eerlijk gezegd, niet een beetje als spot en hoon? Wij, mensen in deze tijd, benijdbaar?
Wie durft herhalen: ik wenste, dat gij waart zoals ik ben! Meestal zijn wij geneigd het om te keren en te zeggen: ik wilde, dat ik was zoals hij of zij, want die is er heel wat beter aan toe dan ik. En nu moesten wij kunnen herhalen: ik benijd u niet, ik wilde dat gij mijn rijkdom had. Dat kunnen wij helaas maar heel zelden. Dat kunnen wij niet, omdat ons geestelijk bezit, onze geestelijke rijkdom niet groot genoeg is. Ons geloof in de wereld en haar toekomst, dat is. in Hem, die dat alles leidt, is niet groot genoeg. Wij hebben eigenlijk nog veel te veel andere dingen erbij nodig, om een gelukkig en benijdbaar mens te kunnen zijn. Naast ons geloof nog vele andere dingen, dan kan het pas een beetje gaan. Wij zijn nog zo rijk en gelukkig met veel andere zaken.

Nu kunnen wij onszelf natuurlijk maar niet in eens op één lijn stellen met Paulus, en wij moeten ons aan grote geestelijke woorden niet gaan vertillen.

Wij weten, althans de meesten van ons, waarschijnlijk geen van allen te vertellen van zo grote plotselinge omkeer in ons leven, waarin we ineens Christus als de Eeuwige Waarheid en de Eeuwige Liefde zijn gaan zien. Velen zijn met de boodschap van het Evangelie, met de prediking der Kerk van jongsaf vertrouwd geweest, net behoorde tot de gewone dagelijkse omgeving. Het grote mysterie, het geheimenis sprak niet meer. En toen: het woord „bekering" klinkt ons wellicht te zwaar. Beseffen wij wel, dat toch in een mens iets radicaals moet worden veranderd, gekeerd. Willen wij ons leven en de wereld in vrede en overgave kunnen aanvaarden. Dat is een benijdbaar geluk als een mens is losgemaakt van zijn zelfzuchtig denken, en beseft, dat net gaat om God en Zijn woord en Zijn geest. Daar was een oosters man, een vroom man, een man van wie ik verder niets weet, dan dat hij geloof had. En hij zong het uit in het bekende lied: “De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken." Was deze mens niet ontzaglijk rijk! Of is dat geen rijkdom, als een mens zeggen kan: zelfs in het donkere dal, waar schaduwen des doods vallen, zijt Gij O Heer, mijn steun en staf?

Dat is geloof: geloven ook bij het kruis. Het is niet: een zich erbij neerleggen en niets terugzeggen, gelaten en droevig aanvaarden. Maar het betekent dat juist God dan alles voor ons zijn wil, als wij niets meer over hebben. Dat Hij staat achter alle dingen, en bezig is ons veel te doen verliezen, opdat wij in Hem veel zullen terug ontvangen.


 

Bron: PDAC 6 januari 1951

 

„Daarom – wij versagen niet"

Dit eerste „Voor de Zondag” in 1951 staat begrijpelijkerwijs nog in de sfeer van Nieuwjaarsgedachten, van heil- en zegenwensen, van toekomstoverdenking.

Vandaar dit moedige en bemoedigende woord van Paulus uit de 2e Corinthenbrief (2 Cor. 4 : 16). Want het is niet onder zeer bemoedigende omstandigheden, dat wij 1951 samen zijn aangevangen. Men behoeft geen pessimist te heten om toch wel met zorg de toekomst voor eigen land en volk, voor heel de wereld in te zien, nog daargelaten dat ook de persoonlijke kant van ons leven, reeds bij de aanvang van dit nieuwe jaar misschien met vragen en noden heeft te kampen.

En dus : voor de eerste Zondag een moedig en vertrouwensvol woord, het motto, dat wij hierboven plaatsten. Het is een gedeelte vaneen ontzaglijk bemoedigend en heilig vermanend bijbelwoord.

„Wij versagen niet”, wij zullen de moed niet verliezen. Waarom ? en dan geeft hij dit antwoord : „al geraakt ons uiterlijk wezen van dag tot dag in verval, zo wordt toch ons innerlijk wezen van dag tot dag vernieuwd.”

Deze gedachtengang is alleen mogelijk en te waarderen, als we hem trachten te verstaan onder hoger licht.

„Er is geen reden tot het verliezen van onze moed”, zegt deze sterke gelovige, „want er wordt van dag tot dag iets nieuws in ons opgebouwd”. Dat betekent, dat wij ook in dat nieuwe jaar aan het veranderen zijn, innerlijk veranderen.

Wij blijven niet, die wij waren.

Wij zullen ook uit deze jaarkring anders te voorschijn komen, want ook dit jaar zal ons iets te zeggen hebben, en moeten leren, wie weet hoeveel.

Ons leven kan meer gefundeerd zijn, ons oordeel milder, onze blik ruimer. Oók, al worden wij uiterlijk, door de tijdsomstandigheden minder, misschien armer, misschien lichamelijk zwakker, misschien beroofd van veel, wat wij nu bezitten.

Ons innerlijk leven kan worden opgebouwd, sterker worden, ook in moeilijke tijden. Ja, juist dan, zegt Paulus.

Er zullen allerlei dingen in ons leven zijn geweest, en misschien ook dit jaar over ons komen, waarmee we niet direct raad weten. Er zal allerlei te zeggen zijn over menselijke zwakheid en zonde. Maar het Evangelie gaat verder, en zegt, dat ook door de boosheid der mensen het goede kan geboren worden.

Geen enkel menselijke beproeving behoeft ijdel en zinneloos te zijn. Het kan ook anders. Er is Eén, die met Zijn oneindige macht en liefde ons leven omspant, en die ,wat in mensenogen heilloos en mislukt is, kan terecht brengen. Ons leven heeft twee kanten: alles, wat aan de zichtbare zijde van ons leven gebeurt, heeft zijn bestemming voor de onzichtbare kant. Wat zichtbaar lijden is, kan op onzichtbare wonderlijke wijze worden omgezet in zegen.

Maar dit is niet vanzelfsprekend. Het is niet vanzelfsprekend dat een mens zijn innerlijk leven opbouwt van dag tot dag. Want het is ook mogelijk dat alles wat wij ondervinden in dit jaar, aan ons voorbijgaat, ons innerlijk onveranderd laat. Als het leven met zijn zegen en zijn leed ons niet dichter bij God brengt, drijft het ons verder van Hem af.

Zegen : Dien hebben wij elkaar de laatste dagen telkens toegewenst. Dat gaat haast automatisch. Veel heil en zegen ! Wat is zegen ?

Wij brengen zegen altijd in verband met God, en menen dan dat Hij ons zenden zal welvaart, voorspoed en andere voordelen enz. Maar God wil ons maken tot sterke, moedige, dappere mensen, dat Wij, naar het woord van onze tekst, „innerlijk van dag tot dag worden opgebouwd en dat kan niet alleen door de zonneschijn van het leven.

De internationale spanningen van deze tijd kunnen tot ontzaglijke toestanden leiden. Niemand ziet- een „oplossing”. En dit alles kan ons maken tot verbitterde, cynische, harde mensen. Maar het kan ons ook maken tot betere, diepere levens, sterken in ons geloof.

Het is gemakkelijk genoeg om in deze tijden sarcastisch te spreken over Christendom, kerk en geloof.

Waar het op aankomt is hoog te houden, wat God ons heeft toevertrouwd, trouw te zijn aan wat Hij tot ons sprak, aan wat wij Hem beloofden. Er valt nog wel iets te redden in deze vermechaniseerde corrupte wereld. Iets ? Neen, alles, het hoogste, waartoe wij geroepen werden : het kindschap Gods, Gods bemoeienis, Zijn liefde, ons in Christus geopenbaard.

Wij weten niet wat ons wacht in 1951. Van één ding zijn wij zeker : Het is het jaar, waarin God ook ons innerlijk leven sterker wil maken, ons vernieuwen. van dag tot dag.

En „daarom wij versagen niet .

„Vader U zij toegewijd
‘t jaar, dat nu begint.
Waar Gij ons ook binnenleidt,
Waar ’k me ook bevind,
’k vraag niet, dat mij zorg en nood plagen nimmermeer
’k Bid van nu aan tot mijn dood
U alleen zij d’eer !


 

Bron: PDAC 13 januari 1951

 

„Hij sprak als machthebbende"

Zó ontzaglijk was de indruk, die Jezus’ woorden op zijn hoorders hadden gemaakt, dat de schrijver van het Mattheus Evangelie, als hij aan het eind van die geweldige boodschap die wijde Bergrede plegen te noemen, wil weergeven wat er onder het volk van die dagen leefde, dit aldus beschrijft: „En het geschiedde, toen Jezus deze woorden had geëindigd, dat de scharen verslagen stonden over zijn onderwerp, want hij sprak als machthebbende en niet als hunne schriftgeleerden”. Het gaat hier om de macht van het woord.

Want dan kan er ontzaglijke invloed van uitgaan, een betoverende klank ligt in het woord soms, een heilige gloed en overtuiging, en daar is tegelijk een gevaarlijke macht in de veelheid der woorden. Dit is misschien een van de belangrijkste dingen van ons mens-zijn, dat wijdoor Woorden macht kunnen uitoefenen. En wat voor macht?

Er is in het Evangelieverhaal een grote mensenmenigte totaal verbijsterd en verbluft, ontroerd en beschaamd, als met stille bewondering geslagen, als zij die woorden van Christus heeft aangehoord. Zó was nog nooit tot hen besproken. Zij voelden: die zo spreekt, heeft het zedelijke recht om zich aldus te uiten. Hij sprak als man van gezag, want zij voelen het wel intuïtief aan, dat zijn woorden en zijn levenshouding, dat zijn woorden en zijn daden één zijn.

Zo kan een mens in de ban komen het woord, geboeid en gebonden, getrokken en ontzet door het woord.

Wij beseffen wel, dat er een grote waarheid ligt in wat een Duits denker eens schreef: “de grote veranderingen en revoluties op deze wereld zijn nooit door één persoon geleid, de die de grootste lawines op godsdienstig en politiek terrein aan het rollen bracht, die macht was sinds alle eeuwen enkel en alleen de toverkunst van het gesproken woord, ontvlamd door de brandfakkel van het onder de mensen geslingerde woord. Toch is in onze tijd de waarde van het woord sterk gedaald. Die papieren staan niet hoog meer genoteerd. We hebben al te veel mooie, vrome, sierlijke, welsprekende klanken gehoord. Want woorden kunnen goedkoop zijn. Die woorden, die als een onafgebroken stortvloed van de lippen stromen, ze zeggen zo weinig meer, het is alsof de mensen achter een gordijn van woorden eigen leegten van hoofd en hart menen te kunnen bedekken. Och, al die woorden, heel mooi en goed bedoeld, wat bereiken ze eigenlijk nog? Je zoudt geneigd zijn om te vragen: „kunnen we nog wel zwijgen?”

Maar van Christus staat dan toch meer, dat hij, naast het zwijgen, kende kracht van het woord. Hij sprak als machthebbende. En uit de kracht van dat woord heeft hij de wereld, de mensen bereikt. En nu komt het er alleen op aan te weten, wat hem tot zulk een kracht en macht in staat heeft gesteld.

De oplossing van dit geheim ligt in wat hij zelf, in een andere samenhang, over zichzelf heeft geuit: „De woorden, die ik spreek, spreek ik van mijzelve niet, maar de Vader, die mij gezonden heeft, heeft ze mij gegeven”.

Uit de diepe overtuiging, dat Hij een woord van God, een boodschap uit de hemel voor de kinderen der aarde had te brengen, heeft hij zijn predikend werk kunnen volvoeren. Want echter al zijn woorden en getuigenissen groeit niet het verlangen naar eigen eer of macht, maar alleen het dienen van de Vader en het doen van Zijn wil. Wie machtigt ons, wat geeft ons in deze wereld en in dit leven het recht om te zijn, wie we zijn, om te spreken “zoals wij spreken? ,, Alleen dit, dat wij als volgelingen van Christus, durven zeggen: ik dien niet mijn eigen zaak; ik kom niet voor mijn eigen eer of partij, of richting, ik bepleit niet mijn eigen succes, maar ik ben in dienst vaneen heilig ideaal, ik sta met een taak, die God mij heeft opgelegd, en van Hem moet ik in mijn leven getuigen, en moet ik doen, wat ik meen dat Hij van mij vraagt. Wij, volgelingen van Hem, die sprak als machthebbende, wij aanvaarden dan in Zijn naam en geest het leven, en wij geloven in de waarde van het heilige in deze onheilige wereld.

Daarom staan wij in deze wereld niet als onverschillige toeschouwers, als futlozen, een beetje benieuwd hoe ’t alles wel zal aflopen, maar wij gevoelen ons gebonden en geroepen door de wil van God. Wij zien deze wereld en ons leven als een stuk van Gods wereld, we zien de worsteling en de strijd, maar we weten in geloof, dat we deel hebben aan de wereld en een leven, dat ver uitgaat boven het zichtbare en tijdelijke.

Wij staan ook critisch tegenover de tijden en de stromingen, die ons beroeren. Alles is maar niet goed, omdat mén het goed vindt. Christus maakt ons tot zelfstandige, onafhankelijke mensen.

Christus en de moderne wereld zijn twee geheel verschillende grootheden. Hij behoort niet tot hen, die men zo in ’t algemeen spraakgebruik machthebbers noemt- Maar Zijn woord was van Goddelijke kracht en Zijn geest zal eeuwig zijn.

In een oude bundel zong de jeugd de jeugd van vroeger (of zingt zij het nu nog?)

“Wij bezitten een woord voor de wereld,
dat kan redden van zonde en wee,
een woord van genade en waarheid,
een woord van liefde en vreê.”

„Wij bezitten”. Als dat waar is, dan is er iets in ons van Hem, die sprak als machthebbende. Dan hebben wij iets, dat ons vasthoudt in de chaos en de verwarring der tijden.

 


 

Bron: PDAC 1 september 1951

 

BENIJDBARE MENSEN

„Ik wenste wel, dat gij waart als ik”.

Die dat zeggen kan, is meestal ’n benijdbaar mens. Want gewoonlijk staat het andersom. Veel mensen voelen zich, als ze zich bij anderen vergelijken, achteruitgezet, te kort gekomen, en zij denken of zeggen: ik wou, dat ik kon zijn of kon leven als die ander. Het vergelijken zit ons mensen nu eenmaal in ’t bloed, en het is een vrij vaste regel, dat we ons eigen leven dan vergelijken met dat van een ander, die het ”beter” leeft, of het thans naar onze indruk, wel beter moet hebben. Maar het blijft toch altijd een hachelijke zaak, dat vergelijken. Want wat weet je nu per slot van rekening van eens anders leven? Wat weet je van het innerlijk van een ander mens? Als het er op aan komt, ’n bedroefd beetje. En toch zeggen we maar alsof het de eenvoudigste zaak van de wereld was: ik zou best met hem willen ruilen! Of wij ons in de benijdbaarheid, en in het geluk van een ander nogal eens vergissen kunnen...? Wanneer is een mens eigenlijk te benijden, wanneer is een mens eigenlijk te beklagen?

Er ligt voor menig ontevreden, onbevredigd en teleurgesteld mens een diepe wijsheid en een ernstige les, in die episode uit het Nieuwe Testament, waarin twee mensen op wonderlijke en ongedachte wijze tegenover elkaar zijn bomen te staan. Koning Agrippa, een Joods koning, die naast het oppertoezicht van de Romeinse stadhouder niet veel te zeggen heeft, maar die toch de koningstitel en een zeer klein grondgebied heeft mogen behouden, en tegenover hem ’n gevangene, de tot het Christendom bekeerde fanatieke Paulus.

En deze man, die in ketens geboeid staat tegenover een vreemde machthebber die op de koningstroon zetelt, spreekt dat onbegrijpelijke, haast uitdagende woord: o koning, ik wenste wel, dat gij waart als ik.”

Wonderlijk is dit. Een gevangen mens, die jaren van achtervolging, ontbering, smaad en miskenning heeft gekend, en die, omdat men hem eigenlijk niet helemaal vertrouwt, dooreen wispelturige stadhouder voor alle zekerheid in de gevangenis in bewaring zit, zegt tot een koning, die aan alle luimen en grillen van zijn leven kan toegeven, die zich in weelde baadt: „Gij mocht willen, dat gij waart als ik”, en dan beschikt hij tevens nog over zoveel nuchtere zin en humor, dat hij er direct aan toevoegt: „Natuurlijk behalve dan de boelen, die ik draag”.

Er is dus iets, dat hem zijn gevangenschap heel moedig doet dragen. Het is ook voor de moderne mens van deze dagen belangrijk dat te weten, want tot zekere hoogte zijn we allemaal gevangenen van het leven. Maar deze mens heeft de bevrijding gevonden hij is ’n „ander” mens geworden, sinds Christus op zijn levensweg verscheen. Dat had hem zo sterk gemaakt, zo bestand, innerlijk bestand tegen allerlei bezwaren en gevaren, en gewapend en veilig, dat niets ter wereld daar ooit tegenop kon wegen. Als ie zo een mens hoort spreken, zo met volle kracht en overtuiging in vastheid van levend geloof, dat niets ter wereld hem meer schaden kan, dat hij zich in zijn ketenen nog benijdbaar voelt en heel wat gelukkiger dan een koning op zijn troon, dan zeg je toch onwillekeurig bij je zelf: hoe benijdbaar, hoe ontzaglijk groot kan de zin van het geloof zijn, en welk een rijkdom!

Ik heb helemaal niet de indruk dat er tegenwoordig veel benijdbare mensen rondlopen. Ook niet onder hen, die ook Christus hebben ontmoet en Zijn naam welbewust wilden dragen. Ik hoor veel klagen, en ik zie veel vreesachtigheid en angst voor de komende tijden. Is het ook zo, dat wij als Christenen, als „gelovige” mensen (als u dat woord aandurft!) heel wat dingen er bij nodig hebben om een gelukkig benijdbaar mens te zijn. Naast ons innerlijk geestelijk bezit, nog vele andere goede gaven, eer er sprake kan zijn vaneen enigszins tevreden en gelukkig leven. Nu kunnen wij ons zelve maar zo niet op een lijn stellen met Paulus. Natuurlijk niet, en wij moeten oppassen, dat we ons aan grote geestelijke woorden en gedachten niet gaan vertillen. Maar toch, als de mens, onder welke omstandigheden dan ook, is losgemaakt van zijn zelfzuchtig denken, en beseffen ging, dat het gaat om Gods wil, om Gods leiding en Christus geest met hem zelf en met de wereld, dan is er geestelijk geluk gegroeid, dat benijdbaar is. Want het is meer dan welke stoffelijke rijkdom «ok. Of is dit geen onvergelijkelijk hoog bezit, als een mens het die Oosterse zanger kan nazeggen, zij het dan misschien in wat andere vorm: De Heer is mijn herder – zelfs in het donkere dal van de schaduwen des doods is Hij mijn steun en staf!

 

 


 

Bron: PDAC 8 september 1951

 

DE GROTE WENDING


„totdat ik inging in Gods heiligdom”
Psalm 73

Er is in ieder mensenleven een „totdat”. En met dat éne woord wordt soms een keerpunt, een beslissing, een ontzaglijke wending aangeduid. „Ik was een mens van groot geluk, het liep mij alles mee, ik kende geen zorgen, ik had een onafhankelijk bestaan, mijn geluk leek onaantastbaar voor welk noodlot ook, totdat...... die ziekte kwam, die zorg om mijn kind, die crisis in mijn bedrijf - en ik ging begrijpen, dat mijn geluk en voorspoed verdwenen waren”. Er zijn heel wat levens, die met deze kunnen worden beschreven Och, je kunt er net zo zorgeloos op los leven, als je wilt, totdat - de dag komt, dat het misloopt. Het leven is mooi is aantrekkelijk, is bekoorlijk, totdat de ziekte komt, en de ouderdom, en de dood, die aan alles een einde maakt. Profiteer dus maar van het leven, zo lang ge kunt, totdat „het andere komt. De grote wending is er altijd, in ieders leven. En dit maakt mensen tot sombere, cynische, sceptische, pessimistische wezens, zo gaan er duizenden door de wereld en het leven; alleen je merkt dat zo niet, want we dragen allemaal een masker (wat hebben de mensen ook met ons innerlijk leven te maken!) en we zijn geboren comediespelers We verstaan de kunst van ons „groot” te houden

Maar er is ook een ander „totdat”. Dat kan zijn het heilige keerpunt in een mensenleven. Dat is de andere wending. Dat is het ogenblik, dat die mens heeft gekend, uit wiens leven hierboven een enkel citaat staat aangehaald. Deze onbekende dichter voelde heel sterk de onbevredigdheid van het leven, en hij kwam innerlijk in opstand tegen de tegenstrijdigheden en de onbillijkheden in het leven van vele mensen.

Mens zijn, zo voelt hij het sterk, is het lot dragen vaneen teleurgestelde, een bedrogene. We bereiken niet waarnaar ons hart uitging en we krijgen, wat we niet hadden bedoeld. Het is nog altijd ietwat tragisch te zien hoeveel goede bedoelingen niet hebben gebaat, hoeveel schone voornemens nooit tot uitvoering zijn kunnen komen. De hele wereld lijkt soms een grote vergissing. Het gaat er zo wonderlijk toe, en je denkt onwillekeurig aan al die mensen, die je kent en die zo helemaal niet op de plaats zijn gekomen, waar zij geknipt voor schenen, mensen, die zo’n bijzondere aanleg hadden, en ze kwamen terecht in ’n werkkring, die hen feitelijk helemaal niet lag; mensen, die zo helemaal „niet tot hun recht zijn gekomen”, zoals we dat plegen te noemen. Zo is er in het lied, waaruit het motto van deze overdenking is genomen, een dichter aan het woord, die in opstand is gekomen tegen al dit schijnbare onrecht. Hij is een gelovig mens, hij tracht met God te leven. Maar hij ziet, dat rijkdom gepaard gaat met laagheid van ziel, dat de mens, die zich om geen God of gebod bekommert, het vaak het verste brengt in de wereld. Zelf heeft hij getracht met een eerlijk en rein geweten voor God te staan. En wat heeft het gebaat? De zorgen en het leed kwamen dagelijks terug. Die man heeft gevraagd, wat wij uilen ons zelf ook wel eens op een dag hebben af gevraagd: waarvoor leven wij, mensen, nu eigenlijk? Is het wonder, dat een mens wel eens wat jaloers is op de voor zijn gevoel ongemotiveerde voorspoed van anderen?

De dichter vond een antwoord. Of eigenlijk nee: hij vond geen antwoord. Maar hij kwam wel tot diepere gedachten. Het werd beter, rustiger, stiller, vrediger in hem, toen hij in Gods heiligdom binnenging, toen Eeuwigheidslicht hem omscheen, toen een stem hem bereikte, Die als uit de hemel nederdaalde. Hoe dit ging: Dat kan alleen verstaan worden, als we weten wat een „heiligdom” is. Er zijn, als in des dichters tijd, nog altijd veel heiligdommen. Maar velen gaan er aan voorbij. Het zijn niet alléén de kerken, en de tempels en de bedehuizen. Het zijnde heilige plaatsen, de heilige tijden, de heilige uren, die ook stille woonkamers, ziekbedden, gevangeniscellen, schoollokalen en fabriekshallen tot een heiligdom’ kunnen maken. Het zijnde ogenblikken, waarin de mens als de afgedwaalde zoon in Lucas 15 „tot zich zelf komt”, zijn eigen hulpeloosheid en afdwalingen beseft, maar tevens nog de moed heeft om te gaan tot een Vader, in wiens liefde en ontferming hij ondanks alles blijft geloven. Het heiligdom is een stil-zijn voor God, zodat Zijn licht valt over ons kleine leven. En nu bedoelt dit alles niet te zeggen: dan zijn alle vragen opgelost, dan verstaat ge geheel de zin van het leven. Ik geloof, dat het vreselijk zou zijn, als we alles wisten en alles- begrepen, als het Mysterie niet meer bestond. Maar ingaan in het heiligdom is ook niet op elke vraag een antwoord krijgen, is ook niet een betoog of redenering aanhoren, maai is het luisteren naar de naam, waarmee de Eeuwige ons riep, re horen het geluid van de Boodschap, die ons omhoog voert uit de aardse beuzelingen.

„Totdat”, dat is de grote wending, de moed weer te vinden, knielen op de drempel van het heiligdom, ontroerd en gesterkt door de nabijheid van Hem die nog altijd het wonder in ieders leven voltrekt: de zwakke mens Koningskind, Gods kind.

 


 

Bron: PDAC 15 september 1951

 

RELIGIE EN KUNST


Er zijn altijd mensen geweest, en misschien zullen zij er nog zijn, die in de kunst een gevaar voor de godsdienst zien, en omgekeerd zijn er die menen, dat alle religieus gevoel aan de kunst vreemd zou zijn, en die a priori menen het godsdienstige te moeten veroordelen.

Is dit inderdaad de ware houding, die beiden moeten aannemen? De een verkiezen ten koste van de ander? Vijandige machten, die elkander verteren, als hun vlammen oplaaien ? Of, zijn het grootheden die juist omdat zij zoveel gemeenschappelijks hebben, bestemd zijn elkaar aan te vullen? Kunnen het misschien ook zijn de oplaaiende vlammen, bedoeld elkander te voeden met hun gloed?

Wanneer wij religie en kunst in harmonie willen zien samengaan, dan valt te bedenken, dat zij beide zich te bezinnen hebben op het doel, dat zij dienen op de oorsprong, waaruit zij stammen. Het doel! Dat lijkt iets gevaarlijks voor de kunst. Want nu denkt iemand allicht: dus dan wilt ge tendentieuze kunst. Maar dat is immers in wezen in strijd met de kunstzelve. De kunst is niet kunst terzake van wat anders De artistieke schepping moet gerechtvaardigd worden door haar eigen kwaliteiten. Een gedicht. bijvoorbeeld, wordt niet door zijn stichtelijke of zedelijke bedoelingen zomaar een goed kunstwerk. Het kunstwerk moet uiting zijn van de geest. En de vraag, die ge er aan kunt stellen, luidt: Wat is er in die geest aan wijsheid en religie? Dient hij de goddelijke schoonheid, wil hij de harmonie die alomvattend is, voelt ge er de harteklop in van de liefde, die in een genadeloze buitenwereld niet ontferming wil zijn;

De samenkoppeling van de beide begrippen tot: religieuze kunst is naar ik meen, een oplossing, die of veel te eenzijdig is, of overbodig is geworden. Want als religieuze kunst alleen zou zijnde kunst, die een onderwerp uiteen of andere religie tot haar object koos, waar blijven we dan met al het andere? Want het gaat niet om de uiting of de voorstelling, maar om het wezen van het kunstwerk. En dan is in wezen alle kunst religieus, omdat zij als levensbelijdenis openbaring is van het goddelijke in mens en wereld.

Zo wordt de kunst, evenals de gehele cultuur trouwens, verdieping en verlevendiging van Gods heerlijkheid. Als God het niet beneden Zich heeft geacht een wereld te scheppen, die vatbaar is voor zo’n rijke cultuur, dan behoeft de mens waarlijk niet angstvallig en eenzijdig de schoonheid in die schepping te vermijden of te bestrijden. Voor ons gevoel is bij vele christenen nog altijd een zekere hang om vooral religie en kunst. Christendom en cultuur op behoorlijke afstand van elkander te houden. En er wordt soms nog zo weinig beseft, dat allerlei scheppingen van kunst, ontdekkingen van wetenschap uitdrukking zijn van zoveel geduld, toewijding en naastenliefde, en daarom voorbeeld van de wijze, waarop God de mens op de schepping, en de schepping op de mens heeft aangelegd.

Want de natuur is door de scheppende geest uit het chaotische tot een kosmos gevormd, en kosmos betekent: kunstwerk, het werk in de geest van Hem, die naar het apostolische woord “Bouwmeester en Kunstenaar” is. In een bekend museum in Florence hangt de schilderij van de vrome Italiaanse schilder en monnik Fra Bartolomeo. Het stelt een „Christus met de doornenkroon” voor. Onder aan dit schilderij heeft de kunstenaar deze wens tot de beschouwers van zijn schilderstuk geplaatst: „Ora pro pictore”, d.i. „Bidt voor de schilder.” Hier wordt geen christendom door de kunst vernietigd, en geen schoonheid in naam der kerk verdoemd en verbrand. Hier is een waarachtige uiting van de harmonische eenheid, die in Gods wijde wereld te beleven valt, als in de geest de kunstenaar zijn geloof uitspreekt, als door de ontroering van de kunstenaarsziel het verheven-schone de mens kan wijden tot een gebed. Opdat wij, naar een mooi woord van wijlen professor Vander Leeuw, „de knie niet buigen voor de Baal van eigen gemaakt christendom of eigen gemaakte kunst, maar opdat wij weten te knielen voor God, overal en altijd.”

 

 


 

Bron: PDAC 22 september 1951

 

VLAANDEREN

Een vacantieherinnering. Een herinnering aan veel wijdingsvolle schoonheid. Het oude Vlaanderen, wie het eenmaal gekend heeft, blijft het in liefde gedenken. Het oude land met zijn prachtige kathedralen en kapelletjes, zijn kastelen en zijn Begijnhovekens, het land, waar oude stadjes dromen aan de voet van hoge kerktorens en slanke belforts. Het oude Vlaanderen is nog rijk aan juwelen van middeleeuwse grootheid, en nergens onderga ik de schoonheid van dat oude land dieper en gewijder dan in Brugge. Brugge, eigenlijk het zuiverste en schoonste museum van die kostbare middeleeuwse kunst. Het is misschien heel inconsequent om juist Brugge te kiezen. Maar van het driestedental: Antwerpen, Gent en Brugge, heet Antwerpen niet voor niets „de Weelderige” en Gent „De Dappere” en Brugge „die Schoone , de hoogste en liefelijkste van deze trits. Een geestig man heeft eens gezegd: „In Zwitserland spreekt de natuur in grootsheid, maar de gebouwen zijn stom, dat is mij niet genoeg. In Rome vertellen èn de mensen èn de gebouwen de geschiedenis van heel de wereld. Dat is mij te veel. In Madrid spreken alleen de mensen, maar de kerken en paleizen zeggen u niets over de grote gebeurtenissen die zich daar hebben afgespeeld. Dat is te weinig. In Vlaanderen, waar alles zwijgt, spreekt de stilte der natuur, de stilte der gebouwen, de stilte van mensen en dingen een zachte taal tot hart en zinnen van ieder, die luisteren wil.”

Brugge, ik ken geen stad of stadje in mijn eigen land, dat ik daarmee wil vergelijken. Brugge is niet al-leen vol kerken en kapelletjes, het is zelf al een oud heiligdom, als een gewijde kathedraal, waarover de stilte ligt gespreid, waar rust en devotie heersen op haar stille pleinen, langs haar oude groene Reyen in haar vergeten hoekjes.

Het is eigenlijk niet te beschrijven, het is alleen om er telkens weer naar terug te keren, pelgrimsoord, voor wie hier eenmaal de stilte, schoonheid en mystiek hebben ervaren. Het silhouet van de stad wordt beheerst door de drie grootse torens, waarvan Urbain van de Voorde zong:

„O stede der drie torens, die uw vaan laat wieg’len
in dal van vrêe, te voet der glooiing van den tijd,
die even in uw Reye laat zijn voorhoofd spieg’len,
g’hebt in de schauw der jaren uw eeuwigheid gevlijd”.

Treedt eens nader tot die oude Lieve Vrouwekerk, staat stil op dat rustige, vredige kerkpleintjé, dat nog door de geest der middeleeuwen schijnt omvangen. Het zou u niet verwonderen als ge op dit stille pleintje in de schaduw van het hoge koor, daar tussen de oude olmenbomen, waarheen eender karakteristieke bruggetjes, die heel de stad zo typeren, toegang geeft, het zou u niet verwonderen, zeg ik, als ge opeens hier de figuur van ridder of edelvrouwe, een priester of getabberde monnik zaagt verschijnen. Treedt deze kathedraal eens binnen. In het stille uur valt het avondlicht van daarbuiten, uit de ontzaglijke hoogte door de slanke kerkramen, waarin gedaanten van heiligen als uit alle kleuren der regenboog zijn samengevloeid. Afbeeldingen uit Christus’ leven, de aanbidding der koningen, het Laatste Oordeel, zij dienen in diepe kleurenfonkeling tot meerdere luister, en als de late zonnestralen de kleurmozaïeken doen vlammen, dan is het alsof heel die grootse wijde ruimte nog eens voor het laatst glorieert in een licht van bovenaardse schoonheid. En onze ziel. bidt mede de woorden van dien vromen priesterzanger, Guido Gezelle, zoon van deze zelfde oude stad, als hij zingt:
„Aleer het licht ten avond raakt, O Schepper aller dingen, waakt en zorgt voor ons, die al de tijd - wij bidden u barmhertig zijt!”

Ga langs die eeuwenoude sierlijk gebeeldhouwde deuren in St. Jans Hospitaal, met welk een liefde en toewijding is dit alles bewerkt, en och, maar enkele schreden verder gaat ge overeen brug dat Stille Begynhof, met zijn witte huisjes als een oud kloosterhofje, binnen, ’t Is alles hier zo oud, zo stil, zo verheven. Wat is het goed hier even rustig te toeven, even buiten die rumoerige lawaaiige brutale wereld, waarin wij dagelijks verkeren. Vlaanderen, het oude, het verhevene, het stille, is als een oase in de woestijn van veel strijd en rumoer. Hier zong en bad de priesterdichter:

„Laat alles zijn voorbij,
gedaan, verleden,
dat afscheidt tussen ons
en diepe kloven spant.
Laat morsen, avond,
al dat heen moet, henentreden.
Laat Uw oneindig Licht
mij zien in ’t Vaderland”.

 


 

Bron: PDAC 29 september 1951

 

DE VREUGDE VAN HET LEVEN

„Als bedroefd, maar altijd blijde”

Van de Vlaamse schilder Pieter Breughel zijn veel schilderijen bekend, die een boerenbruiloft, een kermis of een of ander volksfeest voorstellen. Bij Breughel zijn altijd veel pretmakende mensen te zien. Hossende, dansende, drinkende mensen. En toch had deze grote kunstenaar uit de 16e eeuw wel degelijk oog voor de andere zijde van het leven. Want te midden van die pretmakende, dolle mensenmenigte, zet hij een doodskop of een galg op zijn doeken. En nog merkwaardiger is misschien de opmerking vaneen goed kenner van deze kunstenaar, dat er op al die schilderijen, bij al die pretmakende mensen nooit één staat afgebeeld die waarlijk lacht!

Dat betekent, dat Breughel goed uit zijn ogen heeft gekeken, en zijn tijdgenoten heeft willen doen inzien, hoe wrang, hoe vreugdeloos het pretmaken is van de zogenaamd vrolijke feestvierende menigte. Er is veel lawaai en rumoer, dansen en springen, maarde lach is weg. Er is veel afleiding nodig, om het andere, het donkere te vergeten. Het is net als op die schilderijen van Pieter Breughel: er staat ergens een galg, er ligt een doodskop, maar om de hevigheid van de dood te vergeten, om de „ernst” van het leven maar liever wat uit de weg te blijven, gaan we hossen en dansen en pretmaken. Want de vrolijkheid is voor ons altijd de tegenpool van de zorg en de droefenis. Het leven is somber, is droevig, is hard, en een enkele keer moet je dat dan maar eens wat „vergeten”, net doen of het zo erg niet is, en dan moet je, wat de mensen noemen, eens een „vrolijke avond” of „een goed diner” hebben, waarna je weer in de misère terug komt De „vrolijkheid” die men nog meent te kennen, is een beetje surrogaat. Het is het schepje suiker of de bonbon na de lepel wonderolie: je raakt dan even de vuile smaak van het leven kwijt.

Er is niet veel vreugde in de wereld, er zijn niet veel lachende mensen. Maar daar zijnde tijden immers niet naar. Wij leven niet meer als de kleine kinderen in het paradijs der naïeve onschuld, wij hebben gegeten van de boom der kennis, en wij zijn zorgende, tobbende, bezorgde mensen geworden. De blijdschap is gevlogen, en de vreugde is onmogelijk geworden. Het leven is te hard en te tragisch dan dat er nog een blijvende plaats zou zijn voor de gulle lach en de stralende heerlijkheid der vreugde! Nu ja als er een „feestje” is, en dan moet je je zelf nog „opschroeven” ook, om wat men noemt „in de stemming te komen.” Dat is de levenshouding van veel mensen, en die is begrijpelijk, omdat men de bron van de ware vreugde niet meer kent. Men is de band kwijt met de eeuwige achtergrond van alle leven. Er is geen contact meer met de Eeuwige Schepper aller dingen. Men is de wijde blik op God en Zijn eeuwigheid, op de ruimte van Zijn liefde, op Zijn onbegrensde mogelijkheden kwijt. Wij leven niet meer als kinderen in het huis des Vaders maar als ballingen in een vijandig land dat „leven” heet. Wij hebben het zo druk over al wat het leven ons onthield of ontnam, dat wij geen oog meer hebben voor wat ons geschonken werd en wat ons behouden bleef. Christus bemoedigde de zijnen, voor zijn heengaan, met dat innige sterke profetische woord: Uw droefheid zal tot blijdschap worden, uw hart zal zich verblijden en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen. In de evangelie kom je telkens dat woord van de blijdschap, die vervuld worm. En als je in Paulus’ brieven leest, altijd weer: die volle sterke blijdschapstoon! (En Paulus had nu niet bepaald zo’n succesvol, „geslaagd” en voorspoedig leven). Bedroefd en nochtans blijde zijn! Wij zeggen: je bent óf bedroefd óf blij. Vandaag ben je heel vrolijk en morgen zit je in de put. Maar het wezen van de hoogste boodschap, die Paulus bedoelt, is een geestelijke kracht, een innerlijke vrede des harten, een vol zijn van de goede rijke dingen die God ons schenkt, zodat ook in de droefenis en het de mens die veerkracht, blijmoedigheid tot aanvaarden kent, die tekenen zijn van een groot innerlijk bezit.

De vreugde van het leven! Je durft dat woord haast niet noemen, want de mensen denken direct, dat je e erg oppervlakkig mens bent, en niet erg diep en fijngevoelig bent. Of zo weinig levenswijsheid kent, dat je de diepte van het leed niet leerde peilen.

En tóch, als er iets echts is in ons geloof, dan kan de vreugde geen onbekende grootheid zijn. Maar als je alles in je leven als vanzelfsprekend aanvaardt, als er niets meer is, waar je voor danken kunt, hoe zul je dan 'ook een blij mens kunnen zijn. Want alleen wie weet wat de gave is, die hij ontvangt, alleen wie weet, dat niets zijn eigen werk is, maar alles uit Gods genade komt, wie knielt en ontvangt in ootmoedige handen, alleen die kan blijde zijn tot aan de juichende jubel toe. In een veelgezongen jeugdlied komen deze regels voor: „De vreugd’ is kern der dagen. Die blijft als alles vlood: Wanneer w’ons zelf maar wagen, al ware ’t ook in de dood.” Ik zou niet graag beweren dat de diepe zin en de grootse waarheid van deze woorden altijd even diep worden beseft, wanneer jonge mensen dit lied zingen. En toch zingen we het graag, omdat we intuïtief voelen, dat hier de waarheid van het evangelie ligt. . . Nog één kenmerk wil ik noemen, als ik nog even aan Breughels schilderijen terugdenk: er zijn pretmakende mensen, er staat een galg, maar er is ook een prachtig landschap, dat zich tot in wijde verte om die dansende mensen heen uitspreidt, een landschap, dat als aan een schilderij van het paradijs herinnert, zo rein en zo schoon. In iéders leven staat ergens het leed, de schuld, de zonde, dreigt de dood. Maar er ligt ook om onze levens heen het wijde landschap, een wijde verte, die uitzicht biedt. „Verblijdt u, dat uwe namen staan geschreven in de hemelen” zegt Chris tus. Weest dan niet bevreesd. Maar verblijdt u!

 


 

Bron: PDAC 8 maart 1952

 

Ben ik het, Heer?

Zonder enige voorbereiding, zonder dat iemand daar ooit iets van had voorvoeld, klinkt aan de avondmaalsdis in de opperzaal, waar Jezus, „als het avond geworden, was, aanzat met de twaalve," dat vreselijke woord, dat als een donderslag valt te midden van de zwijgende wachtende jongeren: “Een van u zal mij verraden.”

Dodelijke stilte, één moment slechts. En dan de reactie, hoor die reactie van de twijfelende, verslagen, mismoedige mensen, die hun Meester omringen, die er niets van begrijpen, die niet weten op wie die felle aanklacht is gericht, en die nu als uit één mond roepen: „Ben ik het, Heer?” Niemand, die in verontwaardiging oprijst en dit verwijt als een ongehoorde beschuldiging ver van zich zelf en van de anderen werpt.

Wonderlijk, deze uitroep. Niemand ook, die er een ander op aankijkt en denkt: o, dat moet wel op hém slaan. Alleen maar die éne vraag, die bijna als een zielkundig probleem is: Heer, bedoelt Gij mij ? Deze vraag, die in wezen getuigt vaneen ontzaglijke zelfkennis! De zielkundige ondergrond van deze vreemde houding is niet zo eenvoudig te benaderen. Hier komen menselijke noden en zonden naar voren, die vaak voor de buitenwereld verborgen blijven. Deze vraag lijkt volkomen dwaas, onlogisch, en tóch….. Welk ’n blik in mensenharten wordt hier onthuld: niemand, die er zich te goed voor acht om „verrader” te zijn, niemand eigenlijk, die zich zelf helemaal vertrouwt. Iedereen dus in staat om dat afschuwelijke te doen. Hier breekt uit deze mensenzielen een zekere twijfel los aan zich zelve, twijfel aan het beste dat in mensenharten leven kan: liefde, trouw, geloof. Wij zijn zo weinig zeker van ons zelf, en daarom zo zwak. In de mensenwereld gelden wij misschien voor heel wat. Zo’n Petrus en zo’n Jacobus waren heus wel mensen van zeer bepaalde kwaliteiten, zeker wel wat je noemt: karakters. En tóch! Wat is een mens eigenlijk waard?

En het is daar naast toch wel heel belangrijk in deze houding der jongeren, dat zij zo’n volstrekte eerbied hebben voor Christus en Zijn woord, zich zo volkomen onderwerpen aan Zijn persoon, dat niemand er aan denkt op dit geweldig moment aan Zijn woord te twijfelen. En al heeft Hij op dit ogenblik slechts één bepaalde mens op het oog, hij denkt over de trouw en de aanhankelijkheid der anderen ook zo hoog niet. Zij zullen in de ure van gevaar en vernedering Hem allen verlaten.

„Ben ik het, Heer?” Uit de moedeloze vertwijfelende mensheid klinkt die vraag nog steeds omhoog. Als wij ons even realiseren, hoe het nu is: Christus staande in deze wereld, omringd door de zijnen, door de duizenden, die zich naar Hem noemen, en daar is nog steeds de trouweloosheid, het verraad aan Zijn beginselen, liefdeloosheid, gebrek aan moed en vertrouwen, verbittering, haat, afstomping. Dat woord, aan de avondmaalsdis gesproken, heeft zijn vreselijke actualiteit behouden. Want zó is het: wij laten Hem telkens los. Wij durven het niet met Hem wagen in de beslissende dingen van het leven. Wij verwachten het van velerlei krachten en machten in deze wereld. Wij rekenen met andere grootheden en mogelijkheden, dan die Hij ons bracht. Wij hebben nog altijd erg veel op met al die middelen, die de wereld als medicijn aanprijst, om aan onze armoede en angsten te ontkomen. In het Johannes-Evangelie wordt Hij vergeleken met een lam. Maar wat is de waarde vaneen lam! terwijl de wereld en deze tijd roepen om ijzersterke mannen, geweldenaars, die, zoals dat heet, het "hoofd kunnen bieden aan al die diplomatieke en militaire bedreigingen, waarmee ons geslacht heeft te kampen. De leus van deze tijd is, dat je de hele inzet van je leven moet geven, alles in de waagschaal stellen. Welnu, dat heeft deze Christus, dit „Lam Gods” gedaan. Hij durfde eenzaam leven en eenzaam sterven. Hij kon Zijn leven geven, wetende dat Hij door Zijn dood Zijn Gemeente zou leiden, tot in de eeuwigheid.

Als in Bachs Mattheus-Passion de angstige jongerenkring uitroept, het tot elfmaal uitroept in een klein koor van intense spanning: Heer, ben ik het? legt de componist in onmiddellijk 'aansluitend koraal de gelovigen van alle tijden in de mond: „Ik ben ’t, ik moest dit boeten." Er is in een mensenleven al wel heel wat gebeurd, als hij tot deze zelfontdekking is gekomen. Maar boven deze zelfkennis rijst dan het Evangelie.

Dat is de goddelijke Liefde en de Erbarming. Hij heeft de Zijnen lief gehad tot het einde.

 


 

Bron: PDAC 15 april 1952

Wegens het bereiken van de 65-jar. leeftijd is door de Provinciale Kerkvergadering van Drenthe met ingang van 1 Mei a.s. emeritaat verleend aan ds E. van Rüytenberg, predikant van de Ned. Herv. Gemeente te Grollo en Schoonlo (classis Assen).

Ds Van Rüytenberg werd 10 Maart 1887 te 's-Gravenhage geboren. Hij stond achtereenvolgens te Westerbork, Oostburg (classis IJzendijke), Pingjum (classis Franeker), Warfhuizen (classis Winsum) en Grollo en Schoonlo.

 


 

Bron: PDAC 9 mei 1953

 

Meimaand-Blijmaand

„Hoe zal ik de Heer vergelden al Zijne weldaden jegens mij?” Ps. 116 : 12.

Dat zingen onze kinderen op de Zondagsscholen in deze weken, en dat zingen ze graag: „Meimaand—Blijmaand, God geeft ons de Meimaand, o vergeet Zijn goedheid niet!”

Mensen kunnen als kinderen zijn, en ook voor hen geldt dat woord: o vergeet Zijn goedheid niet. Meimaand is voor veel mensen de Herdenkingsmaand. Het is in de eerste plaats de maand van de officiële Herdenkingsdagen, 4 Mei, 5 Mei, 10 Mei, voor heel een volk. We zeggen tot elkaar: Waar blijft de tijd! alweer 13 jaar geleden is het morgen, wij waren, zonder dat we het wisten, in oorlog.

Vijf lange, bange jaren heeft die oorlog ons land geteisterd, het werd geplunderd, leeggestolen, uitgehongerd. Duizenden onschuldigen zagen wij naar gaskamers en concentratiekampen, ten dode gedoemd, uit onze rijen verdwijnen. Dat zijn voor velen moeilijke herdenkingsdagen. Bloemen worden neergelegd bij de beelden, de monumenten, die hun nagedachtenis in ere willen houden, lest we forget! Er is een geslacht aan het opgroeien, dat van deze dingen uit persoonlijke belevenis niets afweet. Ouderen spreken daar niet veel meer over. Och, een mens vergeet zo gauw. Sommige mensen menen, dat je die oude dingen maar niet ophalen moet. Maar er is een vergeten, dat ook een aanklacht zijn kan. Dat wat God ons in die oorlogsjaren ontnam, maar ook wat Hij ons schonk, moet dat dan maar vergeten worden? Ons volk dreigt zijn 4e en 5e Meiherdenking niet meer te kunnen vasthouden, althans in sommige kringen. Men vergeet maar liever.

Meimaand is voor veel mensen, geheel los van het wereldgebeuren, herdenkingsmaand. De kolommen van de advertentiepagina’s in onze dagbladen zijn gevuld in deze weken met huwelijksjubilea. 25 jaar, 35 jaar, 40 jaar, 50 jaar! Zo lange jaren hebben zij samen geleefd, gewerkt, samen zich ingespannen voor elkaar, voor de kinderen. Wat al offers moesten gebracht, wat veel leed moest doorstreden, welk een zegeningen genoten worden.

Ja, er is wel overvloedig reden tot - Ja, tot wat eigenlijk? Feestvieren, bruiloft houden, een gezellig samenzijn in wijde of meer intieme kring! Meimaand—Blijmaand. Jawel. Maar hoe is die feestelijke stemming en die gezellige bruiloft? In een bekend oudejaarslied zingen wij: „Als w’ in de geest al ’t heil verzaam’len, dat Ge in één enkel jaar ons schenkt, dan buigen we ons in ’t stof en staam’len: Wie zijn wij, Heer, dat Ge ons gedenkt!”

Al ’t heil van éen jaar, ja, dat is ontelbaar, maar van vijf en twintig, en veertig, en vijftig jaar dan! In de 116e Psalm is een dichter aan het woord die ook op een bepaalde periode van zijn leven terug ziet; hij heeft veel benauwenissen gekend, een zwaar en moeilijk leven heeft hij achter de rug, maar hij is een „bevrijd” mens geworden, hij is verlost, hij heeft Gods reddende hand gekend, hij weet vaneen oneindige goddelijke ontferming, en nu op dit alles terugziende, klinkt zijn lied der dankbaarheid: „Hoe zal ik de Heer vergelden al Zijne weldaden jegens mij?” Dit is de eeuwige waarachtige herdenking, die zin heeft, op welke herdenkingsdag van ons leven ook, dag vol weemoedig terugzien, dag vol blijde herinnering: het moet een herdenken zijn van dat wat God deed en was in ons hart, in ons persoonlijk leven, in ons huwelijk, in ons volksbestaan. Dan kan ook de Meimaand in diepere zin een Blijmaand zijn.

 


 

Bron: PDAC 7 mei 1955

 

„Hij, die u roept, is getrouw”

1 Thess. 5 : 24

Paulus vindt „roeping” niet het voorrecht en de bestemming van enkele uitverkorenen, van speciaal begaafde en bezielde mensen. Zo wordt dit nog wel eens in het gewone leven bekeken. Paulus ziet het anders. Roeping is een zich aangesproken weten dooreen, die roept, heel persoonlijk roept, en het recht heeft om u en mij te roepen, omdat hij, en hij alleen dit zó wil. En dat kan God alleen. Wij hebben een taak, ’n verantwoordelijkheid, die ons niet toevallig in de handen is gelegd. God wilde het zo. Dat is voor de huisvrouw en voor de kantoorbediende, voor de boer en voor de fabrikant, voor de pakhuisknecht en voor de onderwijzer, voor de veenarbeider en voor de dominee, voor allen gelijkelijk waar. Wij staan in heilige dienst. Want Hij die de macht heeft en recht heeft op ons leven beslag te leggen, Hij zond ons in dit leven, en in deze wereld, in deze tijd. Niemand zal uiteindelijk volledige rust vinden, eer hij zich bewust is van die Roepstem. Wat roept die Stem? Hij zegt: het leven is niet de mislukking, is niet de nederlaag, niet de waanzin. Maar het leven is heilig. Het leven heeft zin, ook al hebt ge vele slagen ontvangen, het leven is waarachtig, ook al hebt ge ’n zwaar verlies geleden. God roept u tot het leven, ook als ge er eigenlijk niet goed meer tegen op kunt. Christus riep, die vermoeid en belast zijn. En wie behoort daar niet toe? En de rust, die Hij belooft, is niet de gezapige rust vaneen mens, die maar bij de pakken is gaan neerzitten, omdat hij niets beters meer weet, maar het is de rust der zelfinkeer. Wat zijt ge, o mens, waartoe zijt ge in staat? In een episode uit het leven van de profeet Elia wordt verteld, dat de profeet geestelijk en lichamelijk in elkaar zinkt. Hij is tegen de ontzaglijke profetische taak niet meer opgewassen. Maar God zendt zijn engel. Dat is: God roept hem: houdt moed, ik heb nog ’n andere taak voor u. We zijn allemaal wel eens Elia’s in ’t klein. We hebben er allemaal wel eens genoeg van. Ook in deze tijd. Hoe ziet het er in ons land na 10 jaar bevrijding uit! Er heerst een geest van lamlendigheid, van onverschilligheid voor godsdienstige, maatschappelijke, huiselijke noden en problemen. God roept ons tot onszelf. „Gij zijt verantwoordelijk, persoonlijk verantwoordelijk voor uw leven, uw naaste, uw volk”, schreef eens Dr. Brugmans. Gods roep kan ons wakker schrikken uit onze dommel. We komen tot onszelf, en dan is er misschien niet zo veel fraais te zien. Maar die zelfde veelszins tekortschietende mens is een geroepene. „Laat Uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij Uw hemelse vader verheerlijken”. En nu zijn wij ineens gekwalificeerd tot profeten, herauten, gezondenen. De wereld in! Hoe zullen wij gaan, terwijl de wereld niet eens meer luisteren wil! Zou dat alleen aan die wereld liggen? In de VCJB zongen we vroeger: „Wij bezitten een woord voor de wereld, dat kan redden van zonden en wee: En dat „woord” heet: Gods Liefde, dat woord heet Boodschap van Christus. Deze boodschap moet door de daad van ons leven gebracht. „Hij, die u roept, is getrouw”, zegt Paulus en Hij vraagt van ons, dat wij trouw zullen zijn in ónze zending, dat wijde opdracht van ons leven willig zullen aanvaarden. Dienen moeten we, doen zonder vragen. Dat vraagt zelfverloochening, zelf-inkeer. Hij, die ons roept, vraagt, dat wij strijdbare mensen zullen zijn, ook bij de schijnbaar onmogelijke taak, in het meest onbegrijpelijke levenslot. En nu is dit het wonderlijke, waarvan kleingelovige zwakke mensen, van alle tijden, hebben getuigd: Gods licht straalt dwars door alle dingen heen. Het licht is er en schijnt, ook al zien wij het misschien niet. Zó schreef eens een vroom denker:
„Hij staat op het dek van ons schip. Hij zit aan de tafel in onze woning. Hij gaat naast ons op de eenzame weg. Hij roept ons als een kind. Wij zijn God vaak kwijt, maar Hij treedt ons altijd weer, elke avond, elke morgen tegemoet”.

 


 

Bron: PDAC 29 september 1956
De laatste bijdrage van Ds. Ruytenberg.
Hij woont dan in Groningen.

 

GODS WOORDEN BLIJVEN VREEMD

Dit opschrift is ontleend aan het gedicht “De kinderkruistocht” van Martinus Nijhoff. De dichter geeft in dit vers een beschrijving van het verhaal uit de middeleeuwen, waarin wordt verteld, dat de oproep tot de christenen om het Heilige Land aan de macht der mohammedanen te ontrukken ook eenmaal door kinderen was vernomen, die dan die dwaze tocht beginnen, die tot een jammerlijk einde moet voeren. „De mensen beklagen hen en kussen hen wenend, om het woord, dat de kinderen lachend hadden gehoord” „want”, zo gaat dit gedicht dan verder, „want iedereen blijven Gods woorden vreemd, behalve hem, die ze van God zelf verneemt”. En in deze diep-religieuze zin ligt een waarheid van ontzaglijke betekenis. Want dat komt hierop neer, dat dan eerst een woord, een opdracht goddelijke waarde heeft gekregen, als het door de mens zelf als „uit Gods mond” wordt ontvangen. Dat heeft dus niets te maken met enige uiterlijke autoriteit, met een dogma, dat op voorschrift vaneen onfeilbare kerk of vaneen onfeilbare schriftuur moet worden geaccepteerd. Hier speelt de mode of het fatsoen, of het oude gebruik absoluut geen rol. „Een woord van God” bestaat alleen daar, waar het zo’n dwingende macht over de mens heeft gekregen, en met zo’n met te weerleggen autoriteit tot ons komt en ons aanspreekt dat wij er ons eenvoudig niet aan kunnen . onttrekken al zouden wij het willen. Op grond van zo’n „woord” hebben de grote geestelijke voorgangers en leidslieden: der mensheid altijd weer hun onmogelijk lijkende taak kunnen verrichten; denk aan Abraham en Mozes, aan de profeten, aan Jezus en Paulus, aan Franciscus en Luther, aan zovelen. Telkens is dit „woord” terug te vinden als de enige bron, waaruit zij hebben geput.

Het „woord” kwam tot hen. God sprak. En zo kunnen deze woorden Gods nog altijd komen. Maar wij zijn er totaal van vervreemd. Het woord „God” zelf is al een vreemde klank. Wie rekent er in deze vermaterialiseerde, vertechniseerde wereld nog met God? Wij leven in een genot en winstzoekende wereld en we hebben allerlei dingen nodig en wij stellen hoge eisen aan het leven en de diepste geestelijke waarden komen niet meer aan bod. We z(jn rijk aan allerlei dingen en het voornaamste missen we.

Er is weinig vrede, en weinig vreugde onder de mensen, want we beleven een tijd vol spanningen en menigeen is vol vrees voor de toekomst. Wat zal de Suezkwestie brengen en als die dan zogenaamd is „opgelost”, wat dan weer? En zo in deze bar-onrustige, beangste, voortjagende wereld, gaan wij ten onder in de vele vragen en noden die werkelijk niet alleen van materiële aard zijn. We kunnen onszelf niet meer zijn, we hebben en dat is het stopwoord van deze dagen „we hebben geen tijd meer”, geen tijd meer om ons in iets te verdiepen. Het lawaai van de wereld overstemt alles. En zo moeten Gods woorden ons wel vreemd blijven totdat,, ja, totdat we weer het kind in onszelf durven terugvinden, in eenvoud, in vertrouwen, in eerbied, zoals de kinderen uit het vers van Nijhoff dit eeuwige woord hadden gehoord, lachende, en dit horen werd tot een nieuwe daad, dat was voor hen de tocht naar het Heilige Land. En dat woord en die daad blijven er steeds weer. Voor ieder mens is er een gaan naar het Heilige Land, naar de stilte en de rust, waar God is. „God roept ons” naar de bekende woorden van Thomson. En als wij ons daarvan maar meer bewust waren, dan ja dan konden wij inderdaad rustig de weg gaan, elke weg, die Hij ons wijst, hoe vreemd die ook lijkt. Maar dan is er geen vervreemding meer, maar innig vertrouwen, geen spanning vol angst, maar een stille vrede en stille vreugde.

 

Helpman (Gron.). E. VAN RUYTENBERG