Laatst bijgewerkt: zondag 21 november 2021

Reis naar Drenthe


Het is eind september 2021. 76 Jaar na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens een korte ontmoeting in juni van dit jaar, ten huize van Grietje Enting-Witting, trof ik Lou (Loek) van Lochem. Het was een kort, maar geannimeerd gesprek waarin we hebben gesproken over het verhaal van zijn vader en over Grolloo en oldgrol.nl. We zouden elkaar in september weer ontmoeten, maar dat liep door omstandigheden anders. Lou was wel in Grolloo en via Henk Enting kwam ik in het bezit van onderstaand verhaal. Het pdf-bestand was helaas niet zo om te zetten, dus veel typwerk was het gevolg. De plaatjes zijn toegevoegd teneinde een beeld te geven van de omstandigheden van die tijd. Hier en daar heb ik het Drents in de juiste schrijfwijze gezet. Hier en daar zullen nog plaatjes worden toegevoegd en mogelijk betrokken foto's. Naast de andere verhalen van mensen die de oorlog in Grolloo hebben meegemaakt, geeft ook dit verhaal een mooie inkijk in die tijd. Ik dank Lou van Lochem voor het beschikbaar stellen van dit verhaal.

Bertus Reinders, september 2021


 

Wij schrijven niet... ... Niet om bekendheid te verwerven, ook niet om een literaire beroemdheid te worden. Wij schrijven om aan de vergetelheid te ontrukken, hoewel het niet licht uit onze herinnering zal worden weggevaagd.

 

Eind januari 1945

Reeds geruime tijd had de honger zijn intrede in de Hollandse Provincies gedaan. Brood was tot een minimum gerantsoeneerd, aardappelen 1 kg. per week per persoon, enz. enz. Honger en nog eens honger! Mijn zoontje Loek begon te verzwakken, hij die tot nu toe het meeste van ons drieën had gekregen. Steeds stond hij met vragende blikken te kijken als er brood op tafel kwam. Een dun stukje extra, meer niet. Dank U wel, Pappa en gretig hapte hij in het stuk brood. 's Middags tulpenbollen F.4,50 een kilo. Ondefinieerbare smaak. Koken deden we op een noodkachel. Hout gekocht voor een paar honderd gulden.

Reis naar Drenthe 1Zagen, zagen met de honger in je lichaam. Zeven uur naar bed. Dat was nog het beste. Mijn vrouw klaagde over het eten klaar maken. Wat moet je doen als er niets te krijgen is? Ik begon te verzwakken, zienderogen. Toen dysenterie, vanwege de voeding. Holle ogen, bleek ingevallen gezicht, door en door zwak. De dokter adviseerde:

Ga rusten, ga naar buiten. Zie dat je naar het Noorden komt.”

Kreeg van de Pensioenraad op doktersadvies 2 maanden ziekenverlof. Hoe moesten wij er komen? Mijn neef in Groningen kon ons misschien helpen om onderdak bij een boer te krijgen. Van de Duitse instanties kregen wij een bescheinigung” om met de trein te gaan. Voedselauto's namen ons ook niet mee. Zo sukkelen wij verder. Dag in dag uit. Reeds veertien dagen waren verstreken, nog geen vervoermiddel. Het eten was op. Niets, niets meer. Toen adviseerde mijn dappere vrouw om te gaan !open, onderweg kunnen wij misschien een wagen oppikken. Eerst zouden wij Loek bij kennissen onderbrengen. Maar na rijp beraad en op herhaald aandringen van Loek, die nauwelijks 9 jaar was zijn wij gaan lopen, naar..... Groningen.

En hier volgt het relaas van onze reis en wat daarna gebeurde. Het is een aaneenschakeling van belevenissen, van teleurstellingen maar ook van gelukkige ogenblikken, van vermoeidheid maar ook van gemakkelijk reizen, van beschaving en ruwheden, die wij met z'n drieën dapper doorstaan hebben ..... , van Duitse druk en bevrijding door de Canadezen. Van honger en voldaanheid, van gebrek en overvloed.

 

De reis - 17 Februari 1945

Reis naar Drenthe 2's Morgens om 6 uur gingen wij van huis. 't Was aardedonker en mistig. Een grillige motregen, die gelukkig niet doorzette, maakte ons huiverig en koud. Een koffer (reismand) en een tas, op mijn schouder, mijn vrouw een handtas en een city-bag, Loek droeg zijn rugzak. Toen gingen wij ons huis uit, Ch.de Bourbonplein te Den Haag in de steendonker. Boven ons werd een raam opengeschoven en een stem riep:
dag jongens, dag hoor, het beste en goede reis hoor!”
Het was de stem van Tante Ko, die met mijn schoonvader getrouwd was. Zij woonden boven ons.

Dag Tante.” riepen wij in de steendonker.
”Aardig toch van Tante Ko om ons even goeiendag te zeggen.” zei mijn vrouw.
Dag hoor, dag jongens!.” riep zij ons nog toe.

Het was hartelijk dat afscheid. Geen enkele gedachte kwam in ons op, dat wij nooit meer dat huis zouden betreden en dat wij voor het laatst de stem van Tante gehoord hadden .....

Wat was het donker! De gevels van de huizen tekenden zich vaag af in de donkere mist, die zich als een wade over het stadskwartier uitstrekte. De lantaarnpalen stonden plotseling vlak voor je en schuifelend voelden wij of wij een stoeprand af moesten gaan.

Kan je goed zien, man ?”
Wat donker he Pap.”
Even kijken jongens, hoelang zal het duren eer wij weer terug zullen zijn?”
Er valt niets te kijken! Alles is even duister.”

Daar gingen we. De weg naar Voorburg op.

Af en toe kwam een Duitse legerauto voorbij, die de straat even verlichtte. He, nou kan je helemaal niets zien. Pikzwarte duisternis. Enfin, verder maar weer. Bij het Voorburgse viaduct gingen wij de hoogte op. Ratelende wielen van een paard ervoor verbraken de stilte. Zou hij ons meenemen?

Ho, meneer, waar gaat U naar toe?”
Zoetermeer.”
Mogen wij meerijden?”
Zeker, stap maar op!”

Wat een geluk! Meerijden tot Zoetermeer! 13 Km. dat scheelt ons drie uur lopen. Daar zaten wij nu. Loek met zijn bivakmuts op, lekker warm. Ampie met haar bontjas en ik met mijn goeie” winterjas. Fijn! Het paard liep in draf en af en toe stapvoets als hij de hoogte op moest. De mist trok zo langzamerhand iets op hoewel helemaal verdwijnen was geen sprake van.

Reis naar Drenthe 3De toren van Nootdorp tekende zich flauwtjes af. Heerlijk zaten wij. 's Morgens vroeg al in Zoetermeer. Nu moesten wij gaan lopen. Wij bedankten de voerman hartelijk. Voorbij Zoetermeer zagen wij een oude Scheveninger met zijn dochter van 15 jaar, een bleek, hongerig meisje. Zij praatten met een juffrouw die een eigen gemaakt wagentje had. Zo’n vehikel op fietswielen zonder banden. Familiaar begroetten zij ons en zo marcheerden wij met z'n zessen de weg naar Gouda op.

Gooi de bagage er maar op” adviseerde de juffrouw.

Gelukkig dat hoefde ik niet te slepen. Loek hield zich dapper. De eigenares van de wagen stapte er stevig op los en zei zonder meer dat zij vast en zeker vanavond in Amersfoort zou zijn.

Ik heb daar kennissen, die weten dat ik kom. Ik ga daar slapen ook”.

Wat een geluksvogel toch! Die had vandaag al een adres en wij wisten niet waar wij vanavond zouden zijn, nog minder waar wij slapen zouden. Plotseling boog zij zich over het wagentje heen. Een verdacht gekraak deed zich horen. Stop! As gebroken! Daar stonden wij nu. De bagage er maar weer af.

Weet je wat?'' zei de resolute dame, Gaan jullie maar verder !open, ik ga terug naar Zoetermeer.

Dat was toch vervelend voor haar. lk beloofde haar een brief te posten als ik in Zwolle kwam en zij gaf ons het adres in Amersfoort waar wij konden overnachten.

Zie dat je die ouwe Scheveninger en dat meisje kwijt raakt, want 5 person en neemt ze niet op en jullie zijn nogal netjes gekleed en jullie nemen ze direct op. Zeg maar dat je van een zekere juffrouw Pas uit Den Haag komt. Nou gedag hoor!”

Wij gingen verder en achterom kijkend, zagen wij hoe zij een wagen aanhield.

Dei kornp er wal, niet den?” zei de Scheveninger.

Ik keek hem eens aan. Zijn gezicht was verweerd door de zee, vol rimpels, het surrogaat tabaksap vormde een klein geultje in de linker mondhoek. Hij liep enigszins mank, over zijn schouder droeg hij een klein handkoffertje aan een oude wandelstok. De conversatie was niet bepaald opbeurend en het bleek dat hij (met dochter) de honger ontvluchtte.

Zo liepen wij geruime tijd naast elkaar. Tenslotte moesten wij hen kwijt zien te raken, daarom adviseerden wij om uit elkaar te gaan wandelen”. Twee of drie personen hadden altijd meer kans om met een wagen mee te rijden dan vijf. Dat begreep die wel. Maar als wij rusten dan deed hij het warempel ook. Tenslotte liep hij echter voort met zijn dochter. Gelukkig, die waren wij kwijt.

Welgemoed stapten wij verder naar Moerkapelle.

Je hebt een hele kleur” merkte mijn vrouw op.
Je ziet er best uit!”

Inderdaad ik voelde mij opgewekt en ondanks de vermoeienissen bleef ik opgeruimd. Ook mijn vrouw zag er beter uit om van Loek maar te zwijgen. Die had frisse rode wangen. Toch viel die eentonige weg mee. Weiland en weiland en nog eens weiland. He, he die tas werd zwaar. Even rusten. In de verte zagen wij een paar mensen bij een bunker staan. Zeker reizigers, die op een wagen wachtten. Vooruit er naar toe! Wij informeerden en het bleek inderdaad, dat zij op een wagen wachtten, die hen mee zou nemen naar ........ Den Haag. Zij stonden er al van 's morgens zeven uur en het was nu half elf. Geen pretje in de kou te moeten staan. Een of andere onderofficier van de Wehrmacht bood ons aan om te wachten, dan zou hij de eerst volgende burgerwagen aanhouden die misschien naar Utrecht ging. Dat deden wij niet. Wij gingen maar weer lopen.

Nauwelijks waren wij op weg of een vriendelijke voerman van een melkwagen met flessen nam ons mee naar Gouda. Hoera, dan konden wij meteen rusten. Zachtjes dravend, begeleid door rammelende melkflessen kwamen wij Gouda binnen. Geen slecht resultaat! Om 12 uur reeds 25 km. afgelegd. Wie doet je wat! In de pijpenstad gingen wij even koffiedrinken. De waard vertelde, dat er niets, maar dan ook niets te krijgen was zonder bon. Hij schilderde de toestand zo zwart dat wij volkomen gedeprimeerd waren. Tenslotte namen wij een paar sneetjes brood, zuinigjes aan en zaten elkaar aan te kijken of wij ten einde raad waren.

Het werd tijd om te gaan. Wij namen afscheid en liepen 5 km. naar Haastrecht. Dat viel niet mee! Een uur ruim met bagage bij je. Wij waren blij dat wij in een café mochten uitrusten. Het was een aardig zitje met het gezicht op de speeltuin. Niemand speelde er. Wij rammelden alweer van de honger. Weer een sneetje. Loek dan maar weer twee stuks. Een boerenjongen vroeg of wij naar Oudewater gingen.

Dat zal wel”zeiden wij
Als wij maar ergens konden slapen”.

Hij stelde ons gerust en verzekerde ons dat wij bij het Rode Kruis een behoorlijk bed zouden krijgen. Dat wist hij uit ervaring. Maar hij zou eerst eens zien of wij in Oudewater eten konden krijgen. Dat zou wel lukken. Welgemoed gingen wij op stap 7 km.!

Hij hielp mij dragen, maar de jongeman wist niet wat marcheren was en elk ogenblik bleef hij achter. Ik sleepte hem tenslotte mee. Hij zou bij ons blijven en hij wist adressen waar wij konden eten. 0, hij wist alles!

In Oudewater stonden de mensen al in een rijtje. Gelukkig wij zouden eten van de Gaarkeuken! Het was half vijf. Om half zes zou het eten komen. Inderdaad het kwam. Rode Kool stamppot. Zij sleepten de kannen het hek van de binnenplaats van de Gasfabriek op en weer moesten wij wachten.

Wij keken eens achter ons. De rij trekkers was onrustbarend aangegroeid. Een paar honderd mensen met trekkarren, hand- wagens, kinderwagens.

Reis naar Drenthe 4Naast ons stond een handwagen met zakken en dekens. Daar tussen in een uitgeteerde gedaante. Het was een man van ongeveer 40 jaar, die volkomen onnozel was. Hij stamelde en stotterde, het was droevig.

Wij vroegen aan de vrouw, die hem vergezelde waarom zo'n stumper niet thuis gelaten werd. Zij vertelde ons dat zij van niemand hulp had dan van haar dochter van 15 jaar en die kon ze onmogelijk de zorgen voor haar vader overgeven. Dat antwoord was zeer vaag en wij kregen zo'n vermoeden dat deze door en door verzwakte onnozele als object dat medelijden moest opwekken, was meegenomen. Droevig!

Daar werd stilte gevraagd door een politieagent.

Dames en Heren, (hoe ironisch klonk dat tegen deze volksmassa) allemaal naar school no. zoveel, daar krijgt U een beetje eten. Levert Uw persoonsbewijs in, dat U de volgende dag terug krijgt!”

Allemaal naar de aangewezen school. Een ware uittocht. Alle meegenomen vehikels vergezelden de trekkers. Ik keek mijn vrouw aan en deze schudde het hoofd. Waar waren wij in verzeild geraakt? Wat een ordeloze en haveloze zwervers waren er tussen! Dat het zo erg met het volk gesteld was, dat ze zo uitgehongerd waren, dat hadden wij niet kunnen denken. Er liepen erbij met de blote voeten in stukgelopen schoenen, gaten in de sokken voor zover men van sokken mocht spreken.

Een ruige ordinaire taal en niet geschikt om in de huiskamer gebezigd te worden en nog minder voor de kinderen die erbij waren. Natuurlijk waren er ook fatsoenlijke mensen onder, maar het overgrote deel van de kudde bestond uit zwervers en landlopers, die aasden op andermans goed en have. In de school werden wij ontvangen door een man, die de persoonsbewijzen in ontvangst nam en tevens F0,50 rekende per persoon voor slaapgelegenheid. Wij mochten in vers stro slapen. De boerenjongen die ons begeleid had op de weg naar Oudewater vroeg mij of ik hem tot morgen het geld even wou voorschieten. Natuurlijk deed ik dat. Wij zijn ervoor om elkaar te helpen. Wij stapten het schoollokaal binnen waar elektrisch licht brandde. De hele vloer was bedekt met stro.

Hier mogen de getrouwden met kleine kinderen” werd mij gezegd.

Enfin, een plaatsje uitzoeken dan. Bagage afgeven” Jawel, ik was daar onnozel, geen sprake van. De tas ging mee, evenals mijn rieten reistas. Het lokaal begon vol te worden. Overal streken de lichamen zich uit. Ik voelde een schoen tegen mijn schouder. Mijn vrouw trok bijtijds haar doodvermoeide voeten op, anders stapte een juffrouw er op. Loek zat stil te kijken. Wie wist, wat er in hem omging. Het was een wirwar van geluiden. De een zat hardop zijn wedervaren te vertellen, de ander zong een ordinair liedje met lange uithalen over een kind dat aan haar mamaatje een paardje vroeg. Een ander lag heerlijk te snurken, alsof hij een boom aan het doorzagen was.

Reis naar Drenthe 5Wij sneden maar weer een stukje brood, want de honger kwelde ons. Om negen uur kwam iemand van het Rode Kruis om te vragen of er nog voeten te verbinden waren. Mijn vrouw vroeg hem een verband voor haar zere voeten.
Niets aan te doen” zei hij vermoeidheid”.
Zij probeerde zo goed en zo kwaad als het ging de opgezette voeten weer in haar schoenen te krijgen. Gelukkig, het ging. Toen klonk het Alleen kleine kinderen kunnen eten krijgen in de gang hiernaast . Loek onder geleide van zijn moeder er op af, struikelde bijna over de voeten van anderen, maar bereikte gelukkig zijn doel. Rode kool met aardappelen-stamppot. Toen hij terug kwam straalde zijn gezicht.

Heerlijk was het, Pap” zei hij.

Ik observeerde hem. Wat een !even! Zo'n kind en dan niet eens voldoende om te eten! Wat was de wereld toch diep, diep, gezonken.

Probeer jij het ook eens. zei moeder.
”Je hebt toch een doktersattest. lk ga met je mee!”.

Het lukte ondanks de protesten van de zwervers die als hyena's stonden te wachten of er nog wat in de bussen achterbleef. Je moest er nog F.0.30 voor betalen.
Enfin, beter wat dan niets. Annie was erg actief daar bij het eten uitdelen en de vriendelijke agent van politie gaf haar ook een portie, vanwege het doktersattest van haar man. Wat waren wij blij. Eindelijk een portie eten. Nu maar slapen. Jawel, probeer dat eens tussen 60 à 70 mensen in een lokaal, die zaten te kakelen. lk probeerde het en ik viel in een loodzware slaap en vaag herinner ik mij dat ik met mijn neus tegen de schoen van een andere slaper lag en dan probeerde ik weer ergens anders te liggen, iets hoger. Mijn vrouw en Loek vertelden mij dat zij haast niet geslapen hadden, omdat een van de mannen moppen zat te vertellen, waardoor de anderen hartelijk om gelachen werd.

De boerenjongen was verdwenen onder mededeling dat hij een bed gekregen had van een burger. lk geloof, dat het bezit van 10 aardappelen plus een stukje vlees (noodslachting) die hij bij zich had, een doorslaggevende factor voor die burger” is geweest. De volgende morgen zou hij ons weer opvangen. Afwachten maar.

Proberen maar weer om te slapen. Hoe laat is het? Een uur 's nachts. Ik keek weer eens om mij heen. Wat een mensen en wat een geroezemoes van stemmen. Daar heb je die idioot weer met haar liedje over Mamaaaatje geefmai een paaaaardje!”

Plotseling ging het licht uit. Aarde donker was het. lk voelde links en rechts om mij heen. Had ik mijn bagage nog? Wat angstig in zo'n lokaal en wat schreeuwden de mensen.

O, ik heb het zo benauwd, ik wil weg ik kan het niet uithouden. hijgde mijn vrouwtje.

Gelukkig een kaarslicht. He, wat een verademing!

Zo brachten wij de nacht door, nu eens slapend, dan weer klaar wakker, maar steeds vermoeid en onrustig. Wat waren wij blij dat de dag aanbrak. Om negen uur namen wij onze persoons- bewijzen in ontvangst en daar gingen wij weer op Zondag 18 Februari 1945 lopende naar Utrecht, 23 km. van Oudewater.

De boerenjongen hebben wij nooit meer gezien en de twee kwartjes vanzelf ook niet. Enfin, daarom geen verdriet. Wij gaan verder. Zouden wij Den Dolder nog halen? Wij hoopten het.

In Den Dolder woonde nog een familie van ons, die bij de politie werkte. Die zou ons misschien kunnen helpen door een auto aan te houden die ons misschien verder zou brengen. Wie weet? Met deze gedachten stapten wij voort, of liever trachtten wij het te doen want wij waren zo stijf als een plank. He, die bagage, ik wou dat ik die kwijt kon. Misschien komt er nog een wagen. Geen kans, Ja, de mensen gaan naar de Kerk. Gek, datje niet eens wist, dat het Zondag was. Wij arme zwervers vonden de ene dag precies als de andere. Honger en nog eens honger. Nog vier sneden brood en dan was het tijd om aan een nieuw broodje te beginnen. Was dat ook op, dan hadden wij niets meer. Enfin, wij zouden wel zien. Vooruit maar weer sjok, sjok, naar Utrecht….., maar 23 km. met bagage.

 

Naar Utrecht

18 Februari 1945. Het was loom, benauwd weer, enigszins dampig. Links van ons de rivier, die in kronkelende bochten door het lage land vloeide.

Hier en daar vriendelijke huisjes met rode pannendaken en dan weer uitgestrekte onder water gezette velden, die een troosteloos beeld gaven van de oorlog, die door de Duitsers verloren was. Mijn gedachten gingen uit naar de boeren, die hun velden op zo'n manier onbruikbaar zagen. Wat een afschuwelijke oorlog! De honger was in ons land gekomen, de maatschappij ontwricht. Wie waren die krankzinnigen, die zo'n oorlog ontketend hadden?

Reis naar Drenthe 6Kijk een woning midden in het water. Aan de bomen kan je nog zien, hoe de oprijlaan liep. Sjok, sjok, wat een eentonige weg. Daar gingen ook al trekkers, die in Oudewater geslapen hadden. Daar gingen die twee meisjes met een leeg wagentje die beloofd hadden onze tassen mede te nemen, maar die nu geen zin hadden om ons te helpen.

Ieder voor zich” luidde het spreekwoord of gezegde. Die tassen begonnen toch al aardig op je schouder te drukken. Mijn bamboe wandelstok boog door. Sjok, sjok, kwam er maar iemand die onze bagage overnam. Nog 20 km. Vijf uur, dat houdt men niet vol. Proberen maar weer. Gelukkig wij hoorden geratel van wielen. Hmm, een handwagen met bagage en een kind. erop, twee mannen ervoor, een vrouw er achter. Ook trekkers, zwervers net als wij.

Vraag waar zij naar toe gaan” fluisterde mijn vrouw.
Ach kind wat helpt dat, we moeten toch !open.”
Probeer het maar”.

Ik had er niet veel lust in. Lopen en lopen is twee. Achter zo'n handwagen of ervoor valt ook niet mee. Enfin even vragen.

Gaan jullie naar Utrecht?”
Ja, meneer, U ook ?”
Ja hoor. Gooi de bagage dan op de wagen dat loopt makkelijker.”

Gelukkig, die bagage weg. Loek mocht er nog op. Dolblij, want het !open viel hem ook niet mee. Hij had zich tot nu toe dapper gedragen, geen gezeur, geen kik heeft hij gegeven. Vermoeienis kende hij evengoed als wij. Toch klaagde hij niet. Fijn kereltje. Wij waren trots op hem. Daar zat hij als een koning, weliswaar tussen allerlei zakken en koffers, maar hij zat, hij behoefde niet te !open. Wij keken eens om ons heen. Op het voetpad liepen een paar vrouwen. Die behoorde blijkbaar ook bij de handwagen. Ja, want regelmatig werd geroepen tot een kind dat ook op de wagen zat:

Zit je goed,” Dan klonk een kinderstem
Ja, hoor!”

Achter de wagen liep ik te duwen, maar niet erg hard. 't Was niet nodig. Een van de vrouwen kwam er ook achter lopen. Dat loopt lekker, verklaarde zij. En zo ontstond een gesprek, waarin bleek dat haar man in Duitsland werkte, opgepikt door de Duitsers, zij trachtte naar familie in Overijssel te gaan. Ik kreeg een heel verhaal te horen dat zij zenuwziek was geweest enz. Opwekkend was het in geen geval.

Een van de vrouwen die op het voetpad liep, riep telkens:

Zit je goed?”

Vervelend was het. Wat een raar type! Slordig met vette haarslierten, brede afgetrapte herenschoenen duwde zij een kinderwagen.

Laat mijn jongen nou eens wisselen?” vroeg zij aan de mannen.
Vooruit dan maar” mompelden zij.

Hup daar ging Loek eraf. Zielig, dat hij nu moest lopen. Voor hem uit liep een haveloze jongen, blote voeten in kapotte schoenen, een toonbeeld van ellende, begeleid door zijn vader, die zoals naderhand bleek zijn vrouw had verloren. Wat een tragedie! Bedelend liep hij boerderij in en uit. Tenslotte had hij een stuk knolraap gekregen. Het was een schooiertje, zoals ik zelden een gezien had. Wij marcheerden verder. Het liep toch wel goed. De vrouwen bleven achter even een kop koffie drinken en uitrusten, sjonge wat vol in dat café! Allemaal trekkers.

Heb je honger?”
Gaat nogal Pap” was het antwoord.

Wat was hij toch flink! Hij keek tersluiks naar de etende, drinkende trekkers. Grote roggebroden hadden zij bij zich. Wat een weelde! Ik kon het niet langer aanzien.

Hebt U misschien een klein stukje voor die kleine jongen?” vroeg ik aan een vrouw die haar roggebrood met dikke plakken kaas belegde.
Man, ik ben blij da'k self wat heb.”was het antwoord. Ik schaamde mij. Ik voelde wel, dat was niet goed om te vragen. Wat vernederend

Geen kruimel voor mijn dapper kereltje en voor mijn vrouw. Het was verschrikkelijk.

Kom jongens wij gaan maar weer”.

Gelukkig weg van dat stelletje egoïsten! Had ik maar tabak dan zouden zij wel ruilen. Enfin, verder maar weer. Loek mocht evenals de andere jongen van die dikke vrouw op de wagen zitten. Fijn, zeker 20 km. nog naar Utrecht. Vergenoegd zat hij weer op de wagen, die kleine knul.

Mijn vrouw begon te klagen over de voeten. Zij voelde elke oneffenheid in de weg.

Volhouden kind” troostte ik haar.

't Was makkelijk gezegd. Vooruit maar weer. Zij kreeg het warm in die bontjas. Gek toch, een dametje te midden tussen die zwervers. Wat kan het leven toch raar !open. Je hebt een goede betrekking en nu loop je hier achter een handwagen. Onderweg kwamen wij trekkers tegen, die weer terug gingen naar het hongerland. Handkarren, opgeladen met aardappelen, fietsen niet te berijden van de vracht. Elke fiets had een kip over het stuur. Daar komen er weer een paar. En ginds kwam een vrouw achter een zeepkist op wielen op haar blote voeten. Wat een ellende! Zij kon haar schoenen niet meer aan. Aan de kant van de weg twee vrouwen en een klein kinderwagentje met zo goed als niets erop. Bij navraag bleek dat zij uit Deventer kwamen. Alle bagage afgepakt door de controle bij de Deventer Brug.

Duitsers?”
Nee, Hollanders”

Ook dat nog! Deze stumpers van vrouwen waren 14 dagen onderweg geweest en alles was afgenomen! Niets aan te doen. Je medelijden verstompte. Men zag teveel ellende. Je kon er niets tegen op. Hmm, daar ging die Scheveninger ook weer met z'n dochter. Wat was dat kind toch witjes! Ziekelijk uiterlijk. Daar kwam een fietser achterop.

Of ie effen wil stoppen”, vragen die vrouwen achter jullie.

Dan maar stoppen. Gelukkig wij waren in Montfoort. Wij zagen geen vrouwen. 0h ja, daar kwamen zij. Loek erbij. Dat is waar ook, die wilde zijn moeder gezelschap houden. Had ik niet eens aan gedacht. Daar stonden zij voor ons.

Wat jammer Pap, dat jullie zo gauw doorliepen. Kijk eens wat ik voor je heb meegebracht?”

En triomfantelijk liet hij een halve boterham zien met een plakje roggebrood.

Heb ik van een boerin gekregen, een eindje verder 't was heerlijk.”

Loek had voor mij de helft bewaard. Ik weigerde. Die kleine jongen toch nog, ondanks zijn schreeuwende honger, aan zijn vader denken. Ik moest en zou het stuk brood opeten. Binnen een tel was hij vertrokken. Mijn maag was een bodemloos vat. Kon er wel twintig op. Vooruit maar weer. Loek op de wagen. Voort, voort en in een gestadig tempo gingen wij Utrecht tegemoet. Mijn vrouw was moe. Haar gezicht was vertrokken. Even daarna had zij weer kleur. Een van die vrouwen vertelde mij dat van een trekker die ook in Oudewater had overnacht een zak aardappelen van zijn wagen was gestolen.

Gezegend land. Honger en dan nog van een ander hongerlijder een zak aardappelen, die hij met moeite vergaard had, te stelen!

Arm, gedegenereerd volk! Wat een ellendige oorlog ook. Wie dacht er vroeger aan een zak aardappelen te stelen? Verschrikkelijk.

Sjok, sjok, daar liepen wij, een lange eentonige weg. Links het water rechts het ondergelopen land.

Splitterboxem 50 M. Overal zag je borden. Schuilplaatsen voor Duitse auto's. Hup, weer een Splitterbox 50 M. Of ze ook bang waren voor de luchtaanvallen!

Zijn wij er nog niet”, klaagde mijn vrouw.
Nog 10 km.”
Hoe lang is dat !open?”
Een uur of twee denk ik.”
Dat haal ik beslist niet. Mijn voeten doen zo’n pijn. Ik hou het niet uit. Had ik maar mijn oude schoenen ook maar meegenomen. Wat heb ik daar spijt van.”

Ja. gedane zaken nemen geen keer. Ik was ook moe. Weer rusten. Daarna weer op weg. Eindeloos was het. Gelukkig zagen wij Utrecht in de verte. Grote boogbruggen. Vooruit jongens, even de helling op. Rrrt, rrrt daar gaat ie dan. Wat was ik moe! Mijn vrouw bleef met anderen achter. Even wachten. Vooruit maar weer.

Utrecht! Gelukkig. 't Was ruim half twee. De eigenaars van de handwagen namen afscheid, zij gingen linksaf de brug over. Daar stonden wij weer met bagage. Een van de vrouwen nam haar kleine kind van de wagen en liet haar midden op straat een kleine boodschap doen. Je stond verbaasd. Maar tenslotte gaf je er niet om. Wat kon ons het schelen. Maar een beetje gênant was het toch wel.

Een van de vrouwen adviseerde om met z’n allen in Utrecht als verstekeling met de trein te gaan. In Utrecht waren ze niet zo streng, voegde zij er aan toe. Nee, dat deden wij drietjes toch maar niet. Wij wisten uit ervaring hoe je door die edel Germanen werd afgebekt. Wij trokken met ons drieën er tussen uit. Lopen, !open.

Wij gaan proberen Den Dolder te halen”
Is het nog ver?”
Dat denk ik niet. Het is vlak bij De Bilt en De Bilt is vlak bij Utrecht.”
Eerst rusten.”

Nee, niet rusten, daar kwam een wagen met twee paarden. Even roepen. Gelukkig, hij stopte en nam ons mee de stad in. Daarna er af. Weer lopen, Een hulpvaardige juffrouw vertelde ons dat de trekkers hier eten kregen. Fijn! Zij bracht ons naar het adres. Gesloten!

Ik weet zeker om vier uur delen zij uit” vertelde zij.
Dan gaan wij eerst eens uitrusten in een café. besliste mijn vrouw.
Ik kan niet meer .

Wat zalig, even rusten. Kon alleen maar bier krijgen. Enfin, een boterham erbij. 0, o ,wat waren wij moe. Loek gelukkig niet, alleen stijf van het zitten. Om vier uur waren wij bij de uitdeelpost van het eten. Er stonden nog meer mensen. Al spoedig bleek uit gesprekken, dat het wel half negen ‘s avonds kon worden want het betrof eten, dat van de gaarkeuken was overgebleven. 0, dat was wat anders, Ons niet gezien.” zei mijn vrouw. Ik had er ook geen zin in. Dan maar !open naar Den Dolder. In die plaats woonde een broer van mijn zwager. Wij hadden hem eens ontmoet op een familiefeestje. Den Dolder was volgens de kelner in het café een goed uur !open. Onderweg dacht ik er aan wat hij kon doen om ons te helpen.
Voorwaarts mars! De Biltsestraatweg op. Even vragen aan die aardige dame van dat grote huis om een boterham voor die kleine jongen. Ik liep door. Gelukkig, Loek had een boterham. Wat zien de mensen er hier allemaal netjes uit! Dat is waar ook, het was Zondag. Helemaal niet aan gedacht.

Is het nog ver?”
Even vragen.”
Loopt U maar tot Bilthoven, die lange weg af.”

Wat een eind! Het begon al duister te worden. Even rusten. Ik kan haast niet meer. Die zware tas en die reismand! Mijn schouder deed behoorlijk pijn. Mijn vrouw sleepte zich voort. Loek was ook moe, maar hij hield zich taai.

Vooruit, vooruit, wie weet hoe lang wij nog moeten !open!

Ach kijk eens” zei mijn vrouw.
Een dienstbode met paling!”

Inderdaad prijkte er op een groot bord heerlijke paling, die naar een jagershuis aan de straatweg gebracht werd.

Ga jij even een boterham vragen  zei ik tegen mijn vrouw.
Joh, het zijn Duitsers
De dienstbode niet, denk ik Probeer het toch maar. Misschien doen zij het voor het kind.”

Een deur ging open en een Duitse vette kop kwam naar buiten.

Misschien hebt u een boterham voor die kleine jongen?”

Vernederend toch om aan zo'n vent iets te vragen. Kijk ze daar eens staan. Doodop. 0, o wat vernederend. Kon ik maar naar binnenstormen en het gestolen eten weghalen!

Nein” antwoordde de kop
”Es geht nicht. Da kommen jeden Tag viel kleine Kinder”

Bom, deur dicht. Lamstraal!

Mijn vrouw mopperde.

Zie je wel, ik wist het wel. Nou vraag ik nooit meer wat”.

Reis naar Drenthe 7Zij had gelijk. Doodvermoeid sjokten wij verder. Bilthoven door, Paltzerweg op.

Ik kan niet meer” hijgde mijn vrouw.

Goed, dan rusten. Ik nam haar city-bag op om deze eveneens aan mijn schouder wandel”stok te dragen. Dat mocht niet. Rusten. Wat was het duister al! Zeker door al die bossen.

Kom vrouw.” zei ik
Kop op! Probeer het maar!”

En voort sleepten wij ons sjok, sjok, sjok,.

Is het nog ver”
Ik weet het niet. Even vragen.”

0h, gelukkig nog een 10 minuten en dan waren wij aan het opgegeven adres, dat een agent ons verstrekt had. No.173.

Welk nummer hebben we nu?”
117”
”119”

Stop een grote tussenruimte. 't Was nu wel duister!

139” weer bos!
151 weer een bos!
Welk nummer nu Loek?

Reis naar Drenthe 8Loek ging kijken, want men kon geen cijfers meer onderscheiden. Hoera,”173” Even gluren door de ruiten. Ja, daar zat iemand. Tik, tik tik, Oom Jan deed open.

Wie is daar?”
Verr ....jongens kom binnen, wat komen jullie hier doen? Kom binnen, laat ie fijn zijn Carolientje! Vooruit naar binnen.”

Tante kwam aanlopen.

O nou zie ik het! Dag, hoe gaat het?”

Enfin, de ontvangst was hartelijk. Ik legde hem de toestand uit en verklaarde hun dat ik naar Wim, mijn neef in Groningen zou gaan. Waarschijnlijk kon die ons aan een boer helpen.

Hij schudde meewarig het hoofd.

Wat zoeken jullie toch in het Noorden? Brandhout en nog een brandhout. Alles wordt en is afgestroopt. Ik kom er gisterenavond juist vandaan. Beroerte gelopen om wat eten mee te krijgen. Gaat terug en overlijd liever in Den Haag op je bed dan in een schuur van een boer! Brandhout jongens, brandhout!”

Met de herhaalde opsomming van dit onmisbare artikel voor de kachel trachtte hij aan te tonen, hoe groot zijn teleurstelling over zijn ervaring in het Noorden was.

Wim, zijn vrouw is ziek. Zelf heeft hij ook ziek gelegen en bovendien heeft hij een wachtmeester met vrouw bij hem inwonen!”

Dat was niet bepaald bemoedigend. Maar Tante troostte ons en sprak ons moed in. Allereerst een lekkere kop koffie. Loek strekte zich uit op de divan. De schoenen uit jongens. He wat heerlijk. Dan heerlijke erwtensoep en een bard eten. Zalig!

Wij hebben nog gezellig even zitten praten. Toen stond Oom Jan op, greep de telefoon en verklaarde na afloop van het telefoongesprek, dat hij geïnformeerd had en dat hij kon mededelen dat er een voedselauto (d.w.z. zonder voedsel) naar Rolde ging. Wij mochten mee! Hoera, jongens tot morgen half twee. Hij zou de zaak in orde maken. Wat heerlijk, een auto en dan naar Rolde! 't Kon niet mooier!

Welterusten allemaal”

En wij gingen naar boven waar wij ons verfristen en waar wij voor het eerst sedert dagen in een heerlijk bed konden slapen.
Tjonge, tjonge, wat een hartelijke mensen waren dat. Hè, hè, wat heerlijk, zo opgefrist in je bed te liggen.

Slaap je al vrouw?”

Geen antwoord. Die sliep. Even luisteren naar Loek, die in de andere kamer sliep die snurkte, die kleine kerel. Nou daar gaat ie dan en als een blok viel ik in slaap…………

 

Naar Deventer

Maandagmorgen acht uur. Hè, heerlijk geslapen. Jammer dat wij weg moeten. Het kan niet anders. Deze mensen zijn geen boeren, die volop hebben. Konden wij maar hier een boer vinden, die ons tegen betaling kon opnemen. Dat ging niet, daar hadden wij het gisterenavond al over gehad. Even scheren en wassen en dan naar beneden. Wat rook het hier heerlijk!

Kijk eens An en Loek fluisterde ik,
Pannenkoeken op het brood!”

Het water kwam in de mond.

Jongens, ik heb juist wat opgeschooierd, vooruit maar, eet maar lekker op”.

Dat was tegen geen dove gezegd. Uitgehongerd als wij waren, verdwenen de boterhammen. Tante beloofde ons brood mee te geven, die een hulpvaardige bakker zou verstrekken. Dat is gebeurd ook, zelfs twee, natuurlijk omdat het kennissen waren.

Laat ie fijn zijn”, riep Oom Jan.

Ik sprak met hem af dat ik voor alle zekerheid nog even een schriftelijke vergunning op het Gemeentehuis zou halen, om gedekt te zijn voor eventuele controle op de weg. Ik ging met hem mee op de fiets. Wat reed ie hard! Nu pas kon ik merken hoe zwak ik was.

Ik kon hem ternauwernood bijhouden.

Zeg maar dat ik je gezonden heb” adviseerde hij.

De betrokken ambtenaar deelde mede, dat hij geen vergunning mocht uitreiken, omdat ik geen inwoner van Zeist was. En dan te weten dat er plaats genoeg was in die wagen! 0, heilige bureaucratie, ik wou dat je in de oorlogsjaren maar ondergedoken was!

Weinige ambtenaren hebben begrip getoond van wat er gedaan moest worden om ander mensen, die honger hadden, de behulpzame hand te bieden. Enfin, het was een grote teleurstelling. Wat nu?

Oom Jan was ook niet te spreken. Toch kreeg hij de zaak voor elkaar. De begeleidende agent van politie die met de auto mee moest, zou ons meenemen. Om half twee afgesproken op de Zeisterstraatweg. Rrrt de telefoon!

't Wordt wel later, want het is nog niet geregeld.”

Eerst eten. En daar kregen we heerlijke stamppot van snijbonen met een stukje worst. Wij zaten met zeven personen aan tafel, want er waren in die tussentijd nog twee familieleden, moeder en zoon bijgekomen. Die zouden ook een nachtje logeren. Woonden in Hilversum.
Sjonge, jonge, wat een drukte opeens voor Tante en Oom. 't Werd drie uur. Rrrt telefoon. Of de familie zich alvast startklaar wil maken.” Daar gingen we, op de fiets. Mijn vrouw boven op de reismand bij Oom Jan en Loek achterop bij mij. Naderhand zou Oom beide fietsen weer thuis brengen. Eindelijk was dan het langverwachte ogenblik aangebroken! Wat een bof, dat wij niet behoefden te lopen. Die Oom Jan had het fijn voor elkaar. Zie zo, daar stonden wij op de Zeisterstraatweg. Ontelbare Duitse wagens snorden voorbij een stinkende kolendamp achterlatend. Slechts een enkele maal een burgerauto. Zo stonden wij al een poos.

Let maar op een grote truck met aanhangwagen, zo'n soort laadbak.” zei Oom Jan
Reuze jongens die chauffeurs, jammer dat Schipper, die agent niet meegaat. Nu gaat van Dijk in zijn plaats. Die voelt zich wel een beetje, maar enfin, maak ik wel in orde”.

Weer wachten. 't Werd vijf uur. Komt hij of komt hij niet?

Laat ie fijn zijn Carolientje  riep Oom Jan.
Daar komt ie”.

Hij wees in de verte op een grote truck met laadbak.

Stop, ouwe jongens.”

Rang, de tassen erop. Plotseling ging de deur van de cabine open. Een agent stapte uit.

Wat betekent dat?”
Neem mijn familie mee, doe me een plezier”.
In geen geval, de baas heeft uitdrukkelijk orders gegeven niemand mee te nemen. Komt dus niks van in”
Doe het maar voor een collega, ik spreek er wel over met de baas.”
Niks hoor.”

Dat liep mis. Hij was niet genegen ons mede te nemen. Ook al weer zo'n goeie Hollander.” Wat een vent! Oom Jan was woedend, maar beheerste zich. De auto reed zonder ons weg. Eerst echter waren de tassen weer afgeladen. Daar stonden wij nu. Het begon al donker te worden. Wat nu? Houd dan maar een willekeurige auto aan, adviseerde ik.

Neen, jongens, dat wil ik graag doen, maar dat geeft niet veel. Ga met me mee naar huis.”

Maar dat wilden wij niet. Die goeierd had zelf haast niet te eten en bovendien had hij al twee loges. Dat konden wij niet van hem verlangen. Uitgesloten. Intussen verstreek de tijd. Een auto die voor hem, Oom Jan, stopte ging volgens mededeling niet verder dan halfweg Amersfoort. Een ander ging direct rechtsaf naar Zeist. En wij stonden maar. Weer een auto. Oom Jan gaf een stopteken, sprak met den chauffeur en wenkte ons.

Jongens naar Twello.”

Vooruit met de geit! Twello, dat was bij Deventer. Gelukkig!

Dag, Oom daag, wel bedankt hoor! Wij schrijven wel!”

Daar zaten we. Fijn een overdekte vrachtwagen. Geen last van de kou. Stop, weer twee mensen erin. Loek kroop achterin, naast een non. Ik hoorde hem al kletsen. Mijn vrouw lag half en half tegen een paar koffers aan. Een oude heer lag met opgetrokken knieën tegen een kist en had zich ten deels met een deken toegedekt. Erg ruim was het niet, maar wij reden en met een flink gangetje. Ha, Amersfoort.

Stop. Een Duitser keek in de wagen, mompelde wat en daarna zag ik een lichaam opbeuren en de wagen induwen. He, he dat heeft lang geduurd, mompelde de nieuw aangekomene, eindelijk.” Hij trapte op mijn voeten, stootte tegen mijn schoenen en bij elke schok steunde hij op mijn toch al niet te sterke body. Hij zat voortdurend uit te weiden over zijn operatie aan zijn rug. Hij had volgens zijn zeggen, nog steeds een groot gat in zijn rug. Mocht niet !open, moest rust houden, enz.

Ik vroeg hem waarom hij in vredesnaam met een dergelijke constitutie deze reis aanvaard had. Honger was het antwoord. Ik kon het idee niet van mij afzetten dat hij speculeerde op het medelijden van anderen, want steeds zeurde hij over het gat in zijn rug. Ik werd er kregelig van. Als je niet !open kunt blijf dan in hemelsnaam thuis, wie haalt het in zijn hoofd om van Amsterdam naar Amersfoort te gaan met een gat in zijn rug.

Met een auto” zei hij op mijn opmerkingen.
En nu heb ik twee dagen gewacht op een auto die mij naar Apeldoorn zou brengen. En eindelijk daar kwam deze.”

Twee dagen! Wij boften toch maar. Wij maar twee uren! Wat hard ging die wagen! Prachtige omgeving. Je snoof de dennengeur. Rzzz regelmatig zong de motor zijn lied. Hoevelaken, bos, bos. 't Was nu toch donker.

De maan vertoonde zich al beter en tenslotte reden wij na een goed uur te midden van de Veluwe in prachtige lanen, beschenen door het maanlicht en om ons de heerlijke geuren van het dennengroen. Prachtig dat landschap. Apeldoorn” Stop. Het ‘gat in den rug’ werd uit den wagen geholpen. Nog meer passagiers stegen uit. Nu naar Twello.

Is het nog ver? vroegen twee meisjes van 16 à 17 jaar, ook al passagiers van onze” wagen.
Neen”, wij zijn er zo.”

Born, weer stoppen. De weg vragen. Voort ging hij weer. Stop.

Allemaal uitstappen Twello!

Ik bedankte de chauffeur, gaf hem een flinke fooi en ......... daar stonden wij nu in Twello. Waarheen? De non wist het ook niet, maar zij had in ieder geval onderdak in het klooster. Op ons aandringen, waarbij de twee meisjes ook een duit in het zakje deden, besloot zij eveneens voor ons onderdak te vragen. Zo gingen wij, de non voorop met mij, m’n vrouw en Loek met de beide meisjes achter, richting Klooster.

Reis naar Drenthe 9

Twello! Een aardig dorp zo in het maanlicht. Halt” een Duitse schildwacht hield ons staande. Ik leg hem de situatie uit en hij gaf ons de raad net te doen, of wij hem niet gezien hadden, want wij liepen op straat na bezetten tijd. Bij het klooster werden wij vriendelijk te woord gestaan maar erin” ho, maar. De non natuurlijk wel. Voor ons hadden zij geen onderdak, zij hadden zoveel reizigers. Hoe bestaat het, in zo'n uithoek waar niemand een voet zette. Enfin, we zouden maar even bij de boer gaan vragen. De hele familie was aan het bidden. Kon je niet lastig vallen. Verder sjokken, met z'n vijven, in de maanverlichte nacht.

Halt. Wat doen jullie hier?” riep een Hauptmann van een of ander Duitse legerafdeling.
lk heb autopech gehad en wij zoeken onderdak.”
Kan niet, mag niet in de open lucht. Vraag maar aan de Feldwebel.”

Of ik nu moest vragen of wij onderdak kregen of dat het werkelijk waar is dat wij niet na acht uur in het open veld mochten zijn, dat wist ik niet. Ik besloot daarom tot het volgende.

Herr Feldwebel, der Hauptmann hat so eben gesagt, das wir ein Hotel haben sollten.”
Die Hauptmann kan mij nog veel meer vertellen. Dienst is dienst en bevel is bevel. Vooruit dan, de Hauptmann beveelt en ik kan het uitvoeren.”

Zo gingen wij met den Feldwebel voorop naar een klein hotelletje, waarvan de eigenaar op het herhaaldelijk geklop zijn hoofd boven ons uit het raam stak.

lk heb wel een bed maar geen dekens”
Hindert niet, als wij maar slapen.

De man keek ons niet vriendelijk aan. 't Is ook niet lollig zo'n gedreun op de deur in de nacht. Ik stelde ons voor en vertelde hem dat ik gedachtelezer was. Hij grinnikte.” Wij zijn geen N.S.B.-ers, zus en zo zit de vork in de steel.” vertelde ik de hele geschiedenis.

lk heb nog twee dekens” glimlachte hij .

Zijn vrouw was een vriendelijk mens en overtuigde zich dat wij goed geïnstalleerd waren. Zie zo, even kaarsje aansteken. Even een dun sigaretje, van een van de meisjes gekregen. He, even zitten.

Sjeg, wat lig je sjoo hard, ik kan het haast niet uithouden. Geef me ook een sjegretje.” lispelde de een.

Ze kletste maar door. Op het laatst begon ik ook maar. Wij lagen met z'n drieën in een bed, de twee meisjes in het andere. Heel gewoon. Aangekleed. Je bekeek elkaar eenvoudig niet. Even een stuk brood eten.
Wij vroegen fatsoenshalve of de beide meisjes ook brood wilden hebben. Tot onze opluchting bleken zij ook brood te bezitten. Wat egoïstisch was een mens toch! Anders gaf je graag brood en nu niet heel erg graag.

Sjiesjoo, nou ga ik sjlapen”

Wel te rusten dan. En wij sliepen-----De regen kletterde tegen de ramen.
Wij sliepen. De wind zwiepte de takken van de bomen heen en weer en ruisend richtten de takken zich weer op. Wij sliepen……………

 

Deventer

Den volgende morgen zeven uur.

Een grauwe miezerige motregen, die weldra veranderde in een gestadige regen.

Dat beloofde niet veel goeds voor vandaag, eerst eens proberen een brood te krijgen. lk vroeg meteen aan de keukenmeid van het hotel een lege fles, om misschien wat melk te halen. Het lukte. Ik kreeg een brood! Voor 20 cent. Een fles melk voor 15 cent! Een weelde. Wij hadden weer wat te eten. De vrouw van de hotelhouder was zo vriendelijk ons zes sneetjes brood (met spek) te geven. die hebben wij in het zaaltje fijn opgepeuzeld Wij voelden ons verzadigd. Wat een weelde zo'n boterham! Daar gaat ie dan, vooruit naar Deventer. Jammer, het regende nog steeds. De regendruppels sloegen in je gezicht, maar het deerde ons niet. Hadden wij niet heerlijk ontbeten? Ha, een boerenwagen.

Mogen we meerijden?”
Natuurlijk wel.”

Gelukkig, wij zaten een beetje vies, zo'n platte wagen, hier en daar stukken boomschors en modder die thans zo viezig” door den regen geworden was. Hobbelen, hobbelen, door Twello, de landweg op, naar den IJssel. Deventer had veel schade geleden. Prachtige, kapitale huizen een ruïne gelijk. Scheef hangende gevels, met grote scheuren dat was droevig. Een troosteloos beeld van vernieling. Daar kwam de IJsselbrug. De voerman stelde ons gerust, je kwam er zo over. Inderdaad, sjokkend ging het de brug over en toen de stad in. Er was controle door Duitse posten, maar alleen voor degene, die terug wilden. Wat een gevoel was dat! Dus eindelijk de IJssel over, het land van belofte in. Nu zouden we eens laten zien wat eten was. Maar dat viel bitter tegen! Zonder bon werd niets verkocht. Overal zag je hetzelfde beeld. Groepen trekkers, die voor de winkelruiten keken. En als maar regenen. Ik was doornat. Mijn jas werd steeds zwaarder, van die beroerde regen. Mijn vrouw merkt op, dat haar schoentjes doorsijpelden. Ook Loek had natte voeten. Regenen, regenen maar. Onderweg in de stad kregen wij een tip dat er eten gehaald kon worden in een of andere evacuatiepost. Vooruit dan maar. Wij werden toegelaten en een vriendelijke juffrouw in verpleegsterskostuum hielp ons aan een paar boterhammen en gaf mij den raad om bij de Duitse instantie om een reisvergunning te vragen. Als die je niet helpen, dan wist zij wel een middel om met de trein te gaan. Ik liet mijn vrouw en mijn zoontje in het huis rusten en liet hun natte kleren uittrekken. Welgemoed ging ik op weg. Bij de Ortskommandantur weigerde zij mij een vergunning te geven. Enfin, barst dan maar” dacht ik en ging naar het politiebureau, om hun bemiddeling in te roepen. Dat hadden de Duitsers aangeraden. De commissaris was er nog niet. Vanmiddag terug komen. Ik ging weer naar vrouw en kind, die heerlijk uitgerust waren. Ik vertelde de situatie en de verpleegster raadde ons aan om vanavond te proberen als verstekeling met den trein te gaan. Jawel, dat foefje dat kenden wij wel. Lukte toch niet. En dan met zijn drieën. Zo'n kleine jongen bij je. Neen, dat was te riskant. Dan liever vanmiddag even bij de politie om bemiddeling te vragen. Wij stapten op, bedankten de verpleegster, die nu druk werk had om al die zwervers eten te verschaffen en gingen weg. Voor ik de deur achter me dicht deed, keek ik nog eens rond. En ik nam de herinnering mee van een arme stumper die zijn stukgelopen voeten zat te verbinden en van een vader, die een vieze vrouw tot echtgenoot had en onverschillig naar zijn kroost zat te staren .

lk herinner mij nog de grote kachel waar omheen de natte jassen en sokken droogden. Een armetierig lokaal. Ik was blij dat ik buiten was. Zie zo, nu even de stad in. Regen en nog eens regen. Even een kop koffie in Hotel de Keijser.

Vraag eens of wij een kamer voor vannacht kunnen krijgen”.

Waarachtig, er was een kamer vrij. Gelukkig, we konden in ieder geval dien nacht slapen. Mochten wij niet met de trein weg kunnen, dan konden wij nog bijtijds opzeggen. Dat was verstandig van mijn vrouw. Ik had heus niet zo gauw aan gedacht. Na even uitgerust te hebben, gingen wij weer de stad in richting Politiebureau. Onderweg probeerde mijn vrouw wat levensmiddelen zonder bon te kopen. Niks hoor.

Alleen een hulpvaardige dame, die in de winkel stond ging naar bovenhuis en gaf Loek een boterham en een appel. Die boft weer. Met graagte zette hij zijn tanden in de vlezige vrucht en en passant vroeg hij of wij ook een stukje wilden. Geweigerd natuurlijk. Ziezo, het Politiebureau.

Wij werden aangediend bij den heer Commissaris, maar moesten toch nog een uur wachten. Toen wij eindelijk voor deze hoge functionaris stonden, kregen wij de indruk van een opgeblazen persoon, die militair” deed, waarschijnlijk onder invloed van de bezetters”.

Hij hoorde ons welwillend” u weet wel zo'n beetje quasi uit de hoogte en gaf toen ten antwoord dat hij in geen geval bereid was te helpen aan een reisvergunning naar het Noorden.

't Zou een gekke boel worden.”, zei hij
Die uit het Westen komen naar het Oosten om de boel op te eten en straks hebben wij hier ook niets meer, dan kunnen wij misschien naar het Westen. lk ben wel bereid U een vergunning voor Den Haag uit te reiken”.

De logica bij deze magistraat was ten enenmale zoek. Niet alleen dat hij absoluut onbekend was met de overvloed in de Noordelijke provincies waar de rantsoenen stukken hoger waren dan het Westen, maar hij wist op de door mij gestelde vragen helemaal geen antwoord te geven, of hij draaide er omheen. Zelfs op de vraag van mijn vrouw, die zeer correct met hem sprak, of wij dan op straat moesten lopen tot er een welwillende voerman ons zou meenemen, antwoordde hij Dan gaat U maar naar het Rode Kruis in het stro slapen, dat heb ik ook gedaan toen ik soldaat was in de Balkan. Als je moe bent slaap je overal. Dan voel je geen matras, dat weet ik bij ondervinding.

U wilt zich toch niet vergelijken met een vrouw” zei ze,
”U zult Uw vrouw toch ook niet adviseren in onze omstandigheden,” merkte zij op.

Ik besloot er een eind aan te maken.

‘t Spijt mij mijnheer, dat ik op Uw kostbare tijd een ogenblik beslag moest leggen, te meer omdat het voor ons nutteloos is geweest. Nog meer betreur ik het dat U ons helpen in onze omstandigheden omdat wij dachten dat wij iemand gevonden meenden te hebben die volkomen een objectief oordeel onze huidige omstandigheden kon vellen, maar ook dat blijkt niet het geval. Goedemiddag mijnheer.”

Hij zat nog wat te hm hm hm hm en de deur viel achter ons dicht. Zie zo, dat was dat. Een goeie Nederlander uit het goeie hout gesneden, stuurde je weer terug naar het westen. Een brave man, met militaire allures, een salonmannetje, bah, wat een kerel !

Gelukkig dat wij onderdak hadden die nacht. Wij gingen vroeg naar bed. Even de kaars nog aan doen. Nog even babbelen over de commissaris. Pft, de kaars uit en dan…….wel te rusten. Nog even hoorde je geroezemoes van stemmen in het café beneden, geslof op de trap en toen niets meer. Even je ogen open. Zo, zo, het was al aardig donker. Als er maar geen bommen op je kop vielen, want de kans bestond er. 25 Km. verwijderd of misschien 40 km. lagen de Engelsen waar wij op wachtten.

Verbeeld je, dat zij vannacht nou eens binnenvielen. Wat een feest zou dat zijn! Ik zou onmiddellijk mijn reis staken en in Deventer blijven, heerlijk Engelse sigaretten roken en busjes vlees en chocola. 't Zou best kunnen. Maar dan zou er toch gevochten worden. Misschien had dit hotel wel een kelder, waar je kon schuilen. Enfin, wie weet. Die stink oorlog ook. Je stond er mee op en ging ermee naar bed. Die twee, die sliepen al. Waren moe natuurlijk.

Wel te rusten jongens.” geen antwoord.

Vooruit dan maar, even het kussen goed leggen en dan ook maar onder zeil……..

Hè mijn voeten steken van moeheid. Gelukkig geen stro op de grond. Rustig in een behoorlijke kamer met een helder bed. Gek dat je nu in Deventer bent. Wat een avonturiers waren wij toch. Waar zullen wij de volgende nacht slapen? Vooruit maar, wel te rusten…………..

 

Zwolle - Meppel

Ik wist die ochtend niet, dat wij zover zouden komen. En prachtig weer! Een zonnetje wekte ons op om de reis te vervolgen. Vooruit, even scheren en inpakken maar weer.

Een boterham was gauw verdwenen. Even in de kranten kijken of er soms iets vergeten was. Jawel, een oude pendule. Een pracht ding stond daar in een hoek. Jammer, dat zo'n pronkstuk daar onttakeld in een kast moest blijven. Vooruit jongens, voorwaarts mars! Het zonnetje deed je goed, na zo'n vieze regendag van gisteren. Veel auto's raasden voorbij. Allemaal legerwagens. Op de hoek van de Zwolschestraatweg hielden wij halt in de hoop, dat een burgerauto ons zou meenemen. Stop! een melkauto, vol geladen met melkbussen stopte. Zou het lukken?

Gaat U naar Zwolle meneer?”

De man antwoordde niet dadelijk, keek naar de lucht en antwoordde:

Ik hoop er te komen als ze ons niet uit de lucht beschieten”
Wel neen, wij wagen het erop.”
Vooruit dan maar.”

Wij kropen boven op de melkbussen en er voegde zich nog een juffrouw bij ons, die een Duitse bleek te zijn. Lollig was dat niet, maar wij spraken geen woord tegen haar. 't Was een arrogant schepsel, die het de gewoonste zaak van de wereld vond dat zij mee mocht rijden. Wat waren wij toch dankbaar! Wij putten ons uit in dankbetuigingen, maar de twee knechten die als uitkijk” meegingen, wilden er niets van weten. Onderweg kwam er een Duitse vrijwilliger op. De knechts gaven mij een knipoogje en ondervroegen hem. Hij had in Arnhem gevochten”. Dat zal wel. Ik bekeek hem niet eens en ik had het zogenaamd erg druk om naar de Tommies” te kijken. De knaap vertelde, dat het maar kinderspel was in Arnhem. 't Was zo gebeurd. Jawel, let maar eens op over enkele weken! Dan is het zeker zo gebeurd maar met de Duitsers!” De knecht van de melkwagen waagde een dergelijke opmerking en de jongeman haalde z'n schouders op. Die knechts waren een paar olijke kerels en wij hadden niettegenstaande de ijzige koude voorjaarslucht die ons bijna de oren afsneed, veel plezier.

Ik zie die eens nog voor mij: de hand boven de ogen naar de lucht turen.

't Is echt vliegweertje, denk eraan.”

Ik stelde hem gerust.

Zij komen niet als wij hier op de wagen zitten.”
Meneer u heeft zeker nog nooit een beschieting uit de lucht meegemaakt. Wij wel. Nou dan wil je wel even vlug het gras in aan de kant van de weg. Poe, dat is geen kinderspel.”

En hij vertelde van zijn ervaringen. Maar toch bleef hij hopen, evenals ik, op een spoedige aftocht van de Duitsers”. Overal kon je eigenlijk de drukkende knellende band van de bezetter voelen. In de winkel, in huis, in de krant, bij het vervoer, kortom overal. Deze mensen hier op de wagen, met uitzondering van de twee Duitsers”, waar wij geen stom woord mee wisselden, hoopten op een spoedige ommekeer. Vrijheid, blijheid! merkte een van de knechts op. Intussen raasde de auto langs velden en wegen. De weiden lagen in fris groen, overgoten door het heldere voorjaarszonnetje. Hier en daar weer uitgestrekte onder water staande velden! 't Was hier al net eender als in Montfoort. Olst! Wijhe! Nog een klein rukje en wij waren in Zwolle. Een van de knechts gaf Loek een boterham met roggebrood en spek. Glunderend bedankte hij de milde gever, schoof zijn wollen band van zijn bivakmuts naar beneden en beet met gulzigheid in die fijne boterham.

"Heerlijk hè Loek?”
Ja, Pap, fijn hoor!”

Reis naar Drenthe 11Zo raasden wij voort, rammelende melkbussen gierend lawaai van dreunende motor, rrrrrrt de bochten in en uit! Ha, daar had je Zwolle. Leuke stad zo te zien. Sassenpoort” op een heuveltje. Stoppen. Uitstappen. De Duitse het eerst. Drie officieren monsterden haar uitrusting: Een grote legerrugzak. Ja, dat dacht ik wel. Die had de belangstelling van de bazen. En terwijl zij haar ondervroegen reden wij weer verder de stad in. Uitstappen. Nu was het toch werkelijkheid. Wij bedankten de chauffeur vriendelijk en vroegen hoeveel wij schuldig waren.

Niets” was het antwoord.
Als het maar enigszins kan, neem ik altijd mensen mee.”

Goeie kerels. Ik zal hem een briefkaart schrijven. Ja, daar waren wij nu in de stad van belofte. Hier kon je eten krijgen van de Gemeentelijke Gaarkeuken, zonder bon. Heerlijk, stamppot! Tenminste zo luidde het verhaal. Wij zouden zien. Niets te krijgen zonder bon. Overal te lezen voor
de winkelruiten. Prettig was dat. Wat nu?

Kijk eens wat een trekkers  merkte mijn vrouw op.

Overal het zelfde troosteloze beeld van hongerende mensen. Een grote rij mensen voor een slagerswinkel. Bloedworst te krijgen zonder bon. Wij gingen in vredesnaam ook maar in de rij. Toen mijn vrouw binnen in de winkel was, bleek alles te zijn uitverkocht. Loek teleurgesteld. Niets aan te doen.

Verder maar de stad in. Proberen een hotel te krijgen om te overnachten. Alles bezet. Alleen op vergunning van de Wehrmacht. Dat viel tegen. Dan zullen wij proberen eens wat eten te krijgen. Ha, kijk eens een restaurant en daarbinnen werd zuurkool opgediend.

Alleen voor vaste klanten” bromde de kelner en hij laveerde met heerlijke zuurkool tussen de tafeltjes door.

Wij konden toekijken. Daar stonden wij weer. Ik kreeg een prop in de keel toen ik daar mijn jongen zag vlak bij zijn moeder, met hunkerende blikken kijkend naar de dampende gerechten.

Op straat uitte ik een verwensing. Is dit nu de stad waar wij zo maar eten konden krijgen?

Dan maar eens proberen bij de Gaarkeuken.

Oh, dat was pas om vier uur, als er over was, werd het uitgedeeld aan de trekkers.” hoorden wij links en rechts vertellen.

Dan maar naar de Wehrmacht om vergunning om in een Nederlandse stad te overnachten. Wat een toestand! Natuurlijk werd dat geweigerd. Stel je voor, een Nederlander in zijn eigen land helpen. Ik wou dat die Duitsers maar ophoepelden. Wanneer zouden wij daar nu eens van verlost zijn? Ik sprak een politieluitenant aan en vroeg hem welke gelegenheden er waren om te overnachten, zonder dat daar voor vergunning voor nodig was. Die gaf mij de raad, om zo spoedig mogelijk de stad te verlaten, want er werden af en toe razzia's gehouden voor tewerkstellingen bij de Organisatie Todt. Of je nu een doktersbewijs had of niet, daar hadden de Duitsers maling aan. Hij raadde mij aan om in geen geval in het Rode Kruis of een dergelijke instelling te slapen want juist daar werd nog al eens een onderzoek ingesteld.

Prettig idee. Het land van belofte. Geen eten, geen onderdak. Wij gingen op weg, richting Meppel. Wij hadden spijt, dat wij zoveel uren kwijt waren. Weer een rij mensen voor een winkel. Hé, daar heb je die oude Scheveninger met zijn dochter ook weer. Zij vertelden ons, dat ze heel veel gelopen hadden en slechts een enkele keer mochten meerijden. Dan hadden wij nog geboft! Zij gingen naar Hoogeveen wij naar Meppel. Onze wegen gingen uiteen. Ik wierp nog een laatste blik op het tweetal. Daar sjokten zij weer .Hij met de oude wandelstok over zijn schouder en een koffertje eraan bungelend. Het meisje hoog in de schouders schuifelend naast hem. Twee zwervers………

Maar wat zouden de mensen wel van ons zeggen? Wij waren toch ook zwervers? Waar zouden wij vannacht slapen?

Allemaal vragen, die nog niet beantwoord konden worden. Een lange weg voor ons, 25 km. dat is 5 uur lopen. Dat konden wij voor acht uur, spertijd” niet halen.

Heb je honger?”
Neen, Pap, ik heb zo'n pijn in mijn buik. 't Is of er een band om heen zit. Net of ik opgepompt ben.”

Ik keek hem eens aan. Hij sleepte zich voort. Mijn vrouw streelde hem en troostte hem. Zij was ook moe. Wat zal ons nu gebeuren. Zou die kleine jongen ziek worden?

Laten wij dan maar niet zo stevig marcheren.”

De auto's raasden voorbij. Daar kwam er weer een achter ons. Even hand opsteken. Wat gebeurt ons. Hij stopte! Hoera, hij ging naar de melkfabriek te Staphorst, 6 km. voor Meppel. Wij mochten mee. Loek en m'n vrouw voor in de cabine, waar reeds een meisje had plaats genomen. Ik met de koffers achter op de wagen, verscholen achter de grote gasgenerator, met de opdracht uit te kijken naar vliegmachines. Flauwe kul, dacht ik, er komen toch geen vliegtuigen. Voort ging het in razende vaart langs bochten en kronkels op een eenzame landweg.

Ik moest mij goed vasthouden, tevens oog houden op de koffers en bovendien nog vliegtuigen. Overal onder water gelopen land. Wat triestig! Ons mooie Holland met zijn frisse weiden. Weg zijn ze. Door de Oorlog. Overal hetzelfde troosteloze beeld van ondergelopen velden en weiden....

Ik had honger. Feitelijk de gehele dag al. Wellicht zouden wij hier of daar kunnen eten. Wij passeerden vriendelijke huisjes, licht groen met witte randjes. Staphorst! Uitstappen. Wij bedankten de chauffeur vriendelijk. Hij wilde geen vergoeding hebben. Fijne vent. Tenslotte heb ik het meisje dat een kennis van hem was, wat in de hand gestopt.

Ja, nu waren wij in Staphorst. Leuke huisjes zijn dat hier. Ach, wat helder en fris zijn die leuke gordijntjes! Op verzoek van mijn vrouw vroeg ik aan een van de boerinnen of zij even van het toilet gebruik mocht maken.

Wat doen daar niet an voor vreimde menschen” was het antwoord.

Dat was op zijn zachts gezegd bepaald teleurstellend.

Wij hadden plotseling geen oog meer voor de vriendelijke huisjes. Ook niet voor de kleine meisjes in klederdracht van eeuwen her.

Hoe is het nu met jou kleine man?”
Een heleboel beter Pap, alleen honger.”
Gelukkig he?”

Ook een mooi gezicht een dame in grijze bontmantel boven op, een boerenkar, die vol geladen was met bomen. Ze stopten en laadden ons ook op. Weer eens wat anders boven op zo'n om gevelde boom in een sloffende en slepende tred van dik boerenpaard. Stop! Afstappen. Hij was op de plaats van bestemming. Daar stonden wij weer, thans met z'n vieren, want de muisgrijze” dame sloot zich bij ons aan. Zij kwam mij bekend voor. 0, ja die hadden wij in Deventer gezien, ook bij de politie om een vergunning.

Zij had Duitse” papieren vertelde zij vol trots en ging naar haar kinderen in Hoogeveen. Wat moet ze dan in Staphorst doen? Zeker over Meppel naar Hoogeveen. Onsympathiek gezicht, geaffecteerde spraak. Neen, dat was geen gezelschap voor ons drietjes. Gauw kwijt zien te raken. Zij opende haar tas, haalde een boterham met dik boter te voorschijn en peuzelde die op. Zij vroeg helemaal niet of Loek ook wat wilde hebben. Bah, wat onaardig! Ik keerde mij om en liep een zijweggetje in stapte een boerderij binnen en verzocht om een boterham voor die kleine.

De boer was erg vriendelijk en zei direct

U hebt ook honger. Met hoeveel zijn jullie? Kom maar binnen, dan zal ik wat boterhammen laten snijden.”

Wat een reuze kerel! Ik liep naar buiten en vertelde het aan mijn vrouw. De muisgrijze” vroeg onmiddellijk:

Voor mij ook?” even aarzelde ik, toen zei ik kortaf:
”Neen, alleen voor de kleine jongen.”

En met deze woorden verlieten wij dit onsympathieke dametje van 30 jaar, die ons nakeek met een dikke boterham in de hand, besmeert met heel veel boter.

Wij maakten onze opwachting bij de boer en werden in de mooie” kamer gelaten. Een prachtstuk! Twee grote mahoniekasten geflankeerd door twee mahonie lijsten in koper gevat, schitterende voorbeelden van 17de -eeuwse cultuur. Prachtige Delftse vazen er bovenop. Tussen de twee ramen in een prachtige kachel, daaromheen een ijzeren hekwerk met koperen knoppen, achter de kachel een betegelde muur van oude Delftse tegels.

Op de vloer van roodstenen tegels mooi wit zand. lk dacht een ogenblik dat ik eeuwen terug leefde, in de tijd, dat onze beroemde schilders dergelijke interieurs op thans wereldberoemde doeken weergaven. Wij waren er stil van. Wij nuttigden onze boterhammen met thee en kregen zowaar nog een stuk roggebrood voor onderweg mee. Vriendelijke mensen en ons oordeel over de Staphorsters had weer een gunstige wijziging ondergaan.

Wat is een mens toch veranderlijk. Geen kwartier geleden hadden wij geen oog voor de bijzondere klederdracht en na ons eten, werden weer opmerkingen gehoord zoals:

Ach wat schattig klein popje net een theewarmer met die wijde rokjes!”

Vooruit maar weer, lopende naar Meppel. Zou er hier nog een Hotel te vinden zijn? Maar na informatie bleek ons dat zonder vergunning van de Duitsers niemand onderdak kreeg. Probeer dan maar om Meppel te halen. Dat viel niet mee. Een uur !open, jawel, maar wij waren toch al moe. Bovendien een lange rechte weg met aan weerszijden bomen.

Links van de weg een troep mensen. Ha, eten halen zeker. Mis, zij stonden te wachten voor een vergunning om door de afsluiting van Meppel te komen. Ik ging naar voren, drong het gebouwtje binnen en trof daar warempel de muisgrijze” weer aan, die triomfantelijk met een papier stand te zwaaien, kennelijk met de bedoeling om indruk te maken bij de Marechaussee. Die haalde zijn schouders op. Ik klampte hem aan en vroeg enige inlichtingen betreffende de afsluiting op de weg naar Meppel. Hij stond mij vriendelijk te woord, controleerde mijn doktersattest en schreef onmiddellijk een Durchlasschein”. Zie zo, dat was in orde. Hij merkte bovendien op dat mijn ambt zich er niet toe leende om geen honger te lijden. Ik begreep er niets van. Maar lachend zei hij Ach meneer, U moet 's morgens bij iedere boer aankloppen om boterhammen, dan hebt U een zak vol en dan kunt U op mars.

Heus U moet wat brutaler zijn, in ieder geval niet zo bescheiden.

Wij stapten de deur uit en daar stond de muisgrijze” nog met haar Duitse” papieren in de hand. Zij was in haar wiek geschoten omdat wij direct een bewijs kregen en zij met haar relaties niet!

Wij lieten haar mopperend achter, blij, dat wij haar kwijt waren Na een halfuur !open, waarbij wij dikwijls moesten wisselen” van bagage kwamen wij bij de afsluiting, d.w.z. er stond een Duitser met geweer, die iedereen naar papieren vroeg. Wij stapten in vol vertrouwen langs en het wonder gebeurde: Terwijl hij de papieren van een vrachtwagenchauffeur controleerde glipten wij verder, zonder gehinderd te worden. Twee meisjes zonder vergunning volgden ons voorbeeld en raasden ons voorbij op de fiets. Met dit al waren wij nog niet in Meppel. 't begon al aardig donker te worden. Wederom rees de vraag; waar kregen wij onderdak? Eindelijk Meppel. Hier was men in de” stad. Het politiebureau was gauw gevonden. Maar ....... wij kregen geen vergunning om in een hotel te slapen, dat ging van de Duitsers uit en die gaven ...... het toch niet. Zij monsterden ons even en fluisterden ons toen in

Gaat U maar naar de overkant bij die antiquair, die helpt wel meer mensen aan onderdak. Zeg maar dat U van ons komt.”

De antiquair, een vriendelijke heer, moest tot zijn leedwezen bekennen, dat hij geen plaats voor ons had, omdat hij reeds 5 personen buiten zijn gewoon gezin gehuisvest had. Hij gaf ons de raad, om even bij zijn buurman te proberen. In ieder geval konden wij bij hem warm eten krijgen. Gelukkig, warm eten, wat een vooruitzicht als men bedenkt, dat wij in geen dagen eten hadden gekregen. De buurman was niet thuis. lk scharrelde in het steendonker om een deur te vinden, terwijl mijn vrouw en Loek in de straat stonden te wachten. Weer een andere deur proberen. Een stem riep mij toe:

Nee meneer, ik kan je niet helpen, wij hebben geen ruimte en die buurman is niet thuis:”

Ik zocht tastend mijn weg uit het smalte steegje en ging op het geluid af van de stem van mijn vrouw die met een meneer stond te praten. Aan de stem herkende ik de antiquair.

Komt U alstublieft mee, dat kan ik niet langer aanzien. Wij zullen in vredesnaam wel schikken. Dat is geen doen om zo onderdak te moeten vragen.”

Hij geneerde zich. Maar ach, wij waren er zo langzamerhand aan gewend om zo te vragen. Ons zelfrespect werd zo wel enigszins in het gedrang gebracht. Er zat toch niets anders op? Verheugd en gelukkig stapten wij naar binnen waar ons bleek dat onze gastheer niets overdreven had.

Een heel gezelschap zat aan tafel. Bovendien troffen wij nog zijn zoon van 17 jaar, die ondergedoken was. De ouderwetse petroleumlamp was aangestoken en wij ontwaarden in het vertrek prachtige antieke dingen, die ons tegenlachten, al is die uitdrukking niet gelukkig. Wij aten hutspot. Eten was het eigenlijk niet. Als uitgehongerde wolven vielen wij aan en de inhoud van een grote pan was in no time verdwenen.

Onze vriendelijke gastheer was een gezellig causeur en hij vertelde veel over de toekomst van oude kasten, die als oud vuil bij sommige boeren stonden en die hij voor weinig geld opkocht, repareerde en weer verkocht. Interessant vak, vol belevenissen, gelukjes en ongelukjes. Zo langzamerhand raakten wij voorzichtig op politiek terrein en gelukkig dat hij anti-Duits was. Nu konden wij vrijuit praten. Maar ja, het werd bedtijd en onze vriendelijke gastvrouw zorgde voor een paar matrassen op de grond met kussens en dekens. De gastheer zette nog een zaklantaarn voor ons neer, voor het geval dat wij er noodzakelijk 's nachts uit moesten. Wat een vriendelijke hulpvaardige mensen!

Na een heerlijke nachtrust stonden wij op, kleedden ons aan en begaven ons naar de achterkamer, waar ons een stevig ontbijt wachtte, Brood en tarwepap in volle melk. Wat was dat heerlijk! Na afloop van het ontbijt pakten wij onze koffers, bedankten de mensen hartelijk, schreven zijn naam op in ons notitieboekje en gingen op weg richting Assen, 45 km.

 

Naar Smilde

Zouden wij eerst eens proberen met een auto mee te komen?”
Ja, maar dan moeten wij die weg terug lopen tot aan de kromming, waar de grote autoweg begint.”

Terug maar weer naar de afsluiting. Dat was een heel eind. Halverwege staakten wij. Het was te ver. En als je daar dan was gearriveerd, zouden wij een auto krijgen? Twijfel en nog eens twijfel. Nee, dan maar richting Havelte. Onderweg misschien een auto. Een boerenwagen bracht ons weer terug in Meppel. Mijn vrouw op de bok, ja, ja, knikkend tegen de voerman, die in Meppels dialect een verhaal vertelde. Zij begreep er niet veel van en knikte instemmend. Zo kwam de hele equipage weer Meppel in. Zie zo, afstappen. lopen, vooruit lopen! Op naar Havelte. Zo ongeveer 3 uur. Wat was dat toch eentonig, dat lopen op de landweg. 't Was anders wel goed weer om te wandelen: droog en zonnig. Wij passeerden, of liever gezegd wij haalden een jongeman in, die met een fiets aan de hand liep. Lekke band. Niet prettig.

Heb je een lekke band?” informeerde ik overbodig.
Ja, meneer” was het antwoord
en daarom ga ik maar lopen”.

Wij sloten ons bij hem aan. Hij vertelde ons dat hij naar Havelte moest, naar zijn ouders. Ik informeerde eens of die soms gelegenheid hadden een paar zwervers zoals wij waren voor een paar dagen op te nemen. Maar dat ging niet, omdat zijn stiefmoeder al evacuees in huis had, die vandaag of anders morgen zouden weggaan. Hij verzocht ons de bagage op het stuur te hangen en weldra waren wij verlost van die hinderlijke tassen. Zie zo, dat liep beter. Ik stapte er dapper op los en prikte met mijn wandelstok in het wegdek, alsof ik een wandelingetje” aan het maken was. Gezellig keuvelend en af en toe een sigaretje opstekend kwamen wij bij de brug over het kanaal. Even rusten. Nog 6 km. Nog eerst even een sigaretje draaien. Wat een eind hadden wij weer afgelegd! Vooruit maar weer. Wat een eentonige weg. Links het kanaal, rechts de bomen. Een stevige wind was er op komen zetten. Gelukkig wind mee.

Dat belooft regen” voorspelde mijn metgezel
dat wil zeggen waarschijnlijk morgen , de wind zit in de regenhoek.”

Afwachten maar. Al pratend waren wij weer een eind opgeschoten. Hij vertelde van zijn vader die aan een vliegveld moest werken. Hij was onderbaas of zo iets. En zo vervolgens kwam hij met de vraag:

Wat doen ze nu met het geld wat mijn vader verdiend heeft? U begrijpt, die winst is veel meer dan normaal.”

Ik wist het ook niet. Alleen gaf ik hem de verzekering, dat alles haarfijn uitgeplozen zou worden en dan zou er ongetwijfeld wel een regeringsmaatregel na de oorlog komen hoe het stond met de inkomsten van de Nederlanders. Enfin, ik luchtte mijn financiële wijsheid in vage termen want ik was toch ook geen waarzegger, die in de toekomst kon zien met ei en koffiedik. Havelte, gelukkig. Mijn metgezel woonde hier. Ik bood hem aan een kop koffie te drinken in een café. Maar daar wilde de jongeman niets van weten. Hij was vlak bij Moeder, die zou wel voor koffie zorgen. Alweer een fijn vooruitzicht! Wij verheugden ons al bij voorbaat. Spoedig kwamen wij bij Moeder. Een jonge vrouw, Amsterdamse van geboorte. Hartelijk en joviaal bood ze ons in plaats van koffie, bouillon aan, of liever soep. Dat was fijn! Gulzig nuttigden wij de soep en bleven even rusten.

Er gaat geen dag voorbij of wij zijn met ons zevenen.”, vertelde zij.
Altijd hebben wij visite. Niet dat ik U weg wil jagen hoor, maar wil U wel geloven dat ik blij ben dat die evacuees weg zijn gegaan? Ik kon het haast niet volhouden.”

Dat begrepen wij. Daarom durfden wij ook niet meer te vragen om onderdak. Wij zaten nog even te keuvelen en intussen werd de tafel gedekt. Ik telde de borden. 7 personen. Dus ....... gaf ik mijn vrouw een wenk. Wij stonden op, klaar om weg te gaan.

Wat is dat, eten ruiken en niet gebruiken?” riep de gastvrouw,
Dat zal niet gaan. U eet een hapje mee!”

Sjonge, sjonge was dat even boffen!

Alleen U treft het niet bijzonder, want het is juist bottendag of te wel benendag.”

Kon ons wat schelen. Een maaltijd! Warm, smakelijk eten! Wat heerlijk! Vader en andere zoon kwamen thuis. Moeder en dochter schrapten het vlees van de benen uit een grote pot. Daarna kreeg ieder een portie. En wat voor een portie! Ik heb mijn hele leven lang zoveel vlees niet op mijn bord gezien! Wat hebben wij gesmuld! Eerst soep, daarna vlees, aardappelen en groente, daarna schrik niet, een bord heerlijke zoetemelkse tarwepap. Wij aten als hongerige dieren. Mijn vrouw smulde en Loek at alles wat voor hem gezet werd, met graagte op. Wat hadden wij heerlijk gegeten! Wij bedankten de familie hartelijk.

Reis naar Drenthe 12Zij gaven ons de raad om in plaats van te lopen, met een schuit te gaan. Het beste was bij de schutsluis even te wachten. Daar gingen wij, uiterst voldaan en tevreden. Wat kon ons gebeuren? Bij de schutsluis gekomen klampten wij een vissersbootje uit Bunschoten aan. Gelukkig, wij mochten mee. Zij gingen echter niet ver, maar dat hinderde niet. Allicht 5 km. Het zeil werd gehesen en geholpen door een flinke bries voeren wij het zeegat uit, o, neen, ik bedoel voeren wij van de schutsluis vandaan. Wij zaten goed. Midden in de schuit een houten bak met water, waarin een paar spierinkjes rond zwommen. In een geul naast de bak zagen wij een klein palinkje vergeefse pogingen doen het water op de bodem van de schuit te bereiken. Een vissersknecht pikte hem behendig op en deponeerde hem in de houten bak om de spierinkjes gezelschap te houden.

Vooronder een klein deurtje dat openstond. Ik zag een slaapstede met kleine gordijntjes. Een petroleumtoestel, een klein bankje. Dat was nu het slaapvertrek. Dat zal ook even benauwd zijn., Loek stond met bewondering naar de knechts te kijken, die behendig met het grootzeil omgingen. Dagelijks werk, dat kon je zien. Zachtjes schoven de oevers van het kanaal aan ons voorbij. Het leek wel een slakkegang. Maar al spoedig merkten wij, dat we toch harder gingen dan een wandelaar. Honger hadden wij niet, voor het eerst sinds maanden en dankbaar waren wij voor het heerlijke maal, dat ons in Havelte door die goeie mensen was voorgezet. De schuit dobberde af en toe en de schipper stond voor zich uit te turen, de hand aan het roer. Net echt. Af en toe geratel van het zeil dat gehesen en gestreken moest worden. Intussen naderde de schipper zijn einddoel. Hij stuurde de schuit aan de kant en wachtte zijn beurt af om geschut” te worden. Hij ging nog maar een klein eindje verder en raadde ons aan op een andere schuit te springen die verder ging. Wij volgden zijn raad op en klampten een schipper aan, wiens schip tussen de sluizen lag. Erg vriendelijk was hij niet maar hij stemde toch toe. Ook zijn vrouw en dochter, die druk in de weer waren, toonden zich niet van de vriendelijkste zijde. Enfin, wij klauterden aan boord van de grote tjalk en installeerden ons boven op de luiken.

Het schip schoof langzaam de schutsluis uit, het grootzeil werd gehesen en langzamerhand kreeg het schip meer snelheid door de stevige bries achter ons. Het zonnetje was verdwenen en een grauwe mistige damp hing over de velden. Arbeiders waren bezig versterkingen langs het kanaal aan te leggen onder toezicht van Duitsers in geel uniform, Kanaries werden zij genoemd. De schippersvrouw maakte een praatje. Het was een stevige vrouw en geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Zij vertelde o.a. dat zij niet graag passagiers meenamen, omdat zij daar dikwijls leergeld” mee betaald hadden. Zij memoreerde het feit, dat haar man (schipper) een passagier aan land had gezet, omdat hij zich met de navigatie bemoeid had. En dat was n.b. wel een dokter. Ik putte mij uit in geruststellende verklaringen, dat ik geen hand zou uitsteken en nog minder aanwijzingen zou geven. Na deze verklaring verdween zij in de kajuit en kwam enige minuten later met drie dampende koppen koffie terug, geflankeerd door een eigen gebakken koekje. Dat was een! Het begon al aardig donker te worden en de schipper verklaarde dan ook dat hij niet verder ging dan Smilde. De omtrekken van de struiken en bomen begonnen al te vervagen en het zou niet lang duren of wij konden vanwege de duisternis niet verder varen. Al spoedig kwam de schuit weer tussen de schutsluizen en daarmede kwam een einde aan onze zeiltocht. De schippersvrouw wilde ons wel helpen met een broodje zonder bon te kopen. Zij zou tevens de bakker om onderdak vragen voor ons drietjes. De bakker was vriendelijk genoeg en gaf ons een brood, maar tot zijn spijt had hij geen slaapplaats voor ons.

Je kunt zulke nette mensen toch niet in het hooi te slapen leggen.” wendde hij zich tot de schippersvrouw.
Waarom niet, laten ze blij wezen dat zij kunnen slapen.” was het laconieke antwoord van de vrouw.

Eigenaardige vrouw, zij was goed maar bazig. Ik zou niet graag met zo’n vrouw getrouwd willen zijn. Zij stond heftig te betogen dat wij net zo goed als anderen wel in het hooi konden slapen. Natuurlijk konden wij dat. Dat spreekt vanzelf. Maar het deed je toch eigenaardig aan zo'n voorspraak van die schippersvrouw. Het gesprek eindigde doordat ik verklaarde af te zien van alle voorspraak”. lk bedankte haar vriendelijk en zij wuifde ons vaarwel en wees nog een paar boerderijen aan de overkant. Wij schuifelend over een smal paadje over de sluisdeuren naar de overzijde. Een boerderij toonde niet de minste lust ons te herbergen. De ander was wel bereid ons te herbergen in het hooi.

Maar” zei de boer,
probeer eerst eens aan de andere boerderij. Kan dat niet, dan komt U maar bij ons terug.

Wij liepen strompelend langs smalle paadjes naar de aangewezen boerderij.

Geen plaats” was het antwoord. Een schelle stem riep ons vaneen andere boerderij al van verre toe
Nei, nergens ploas, allemaal vol met volk.”

lk kreeg een beetje de pé in.

Wordt je niks gevraagd en schreeuw niet zo!

Daarna stilte. Wij gingen in het donker weer terug. De familie stond al op ons te wachten.

Meneer en mevrouw U kunt in de bedstee van de jongens slapen. Die gon dan wel in 't heui.

Hoera, brave eenvoudige, trouwhartige zielen! Sjonge, sjonge een bed! In de kamer. Zij staken het gaslicht aan. Wij zaten gezellig te babbelen en moeder verdween in de keuken om voor ons drieën wat klaar” te maken.

Wij kregen heerlijke pap met fijn brood. Ik herinner mij dat ik drie voile borden pap naar binnen werkte. Vader en Moeder” gingen op rouwvisite en lieten ons achter onder de hoede van de dochter met verloofde en een zusje dat geestelijk niet normaal was. Zij lachte voortdurend en stootte ongearticuleerde geluiden uit. Besse jonge” mompelde zij en streelde mijn vrouw over haar schouders en verkeerde blijkbaar in de grootste opwinding. Zij werd herhaaldelijk tot kalmte aangemaand door een jonger meisje van 12 jaar dat als een moedertje voor haar zorgde. Wij zaten heerlijk een sigaretje te roken met de verloofde van de oudste dochter, die zeer zeker geen boerenjongen bleek te zijn. Hij bezat behalve Mulo-diploma ook nog de Onderwijsacte, Handelsschool, Middenstandsdiploma, Stoffenkennis en bleek tenslotte een winkelier in manufacturen in Emmen te zijn, die onderduiken moest. Daar had je het weer. Onderduiken! Die Duitsers verpesten heel het privéleven, Onderduiken, anders hoorde je niet. Hier zat een jongeman met behoorlijke parate kennis, met een goede zaak, die niet zelfstandig werken mocht. Wat een beroerde wereld toch! Om 9 uur kwam de baas met de vrouw weer thuis.

Gelukkig moar, da je niet an euverkant klop heb, want da bint een jong van 10 jaar overlieden, aan difterie” zei de baas.
En as ze zo'n knap jong van oe zien, dan snied het zo van binnen.”

Dat was te begrijpen. Ik wierp een blik op mijn zoontje die met zijn meegenomen paardjes op tafel zat te spelen, tot groot vermaak van het geesteszieke meisje die om hem stond te wippen en te wiegen. Dat tafereeltje zal ik niet gauw vergeten.
Wij bleven nog even praten en daarbij bleek dat de baas ook nog 5 jaar in Amerika gewerkt had. Hij zou er graag weer naar toe gaan.

Maar het gaat niet” en hij wees op zijn ongelukkig kind.

Het werd zo langzamerhand bedtijd. Hij wees ons de slaapstee”, bestaande uit een bedstee, gesloten door twee kleine deurtjes. Dat was wat! Toen de familie zich teruggetrokken had om ons gelegenheid te geven uit te kleden deed ik de deurtjes open. Leuk was dat. Aan de overkant een paar gordijntjes, net een poppenkast. Met een stoel moest je er in klimmen. Het rook er naar stro maar dat hinderde niet. Deze brave mensen hadden zich weer hulpvaardig getoond.

Zij zetten bovendien nog een klein olielampje met lucifers neer, voor het geval wij er 's nachts uit moesten. En dat gebeurde mij drie keer, een gewoon verschijnsel bij ondervoede zwervers zo als wij. Wij sliepen die nacht heerlijk en waren dankbaar dat wij wederom een heerlijke maaltijd hadden gekregen en een fatsoenlijk bed.

Rechts in de bovenhoek was een klein ruitje in de bedstee aangebracht, dat licht van buiten binnen liet. Ik richtte mij op en keek naar buiten, maar ik kon niets zien in die inktzwarte duisternis. Wij hoorden alleen het gestage gedrup van de regen die van de takken van de bomen kletterde. Wij keuvelden nog wat na en vielen in een zware slaap, die behalve drie hierboven genoemde omstandigheden niet gestoord werd.

 

Naar Assen

De volgende morgen werden wij vroeg wakker. Wij wasten en kleedden ons en verschenen in de keuken waar pap gereed stond, benevens een stapel boterhammen. Wij vielen weer als hongerige leeuwen op het ontbijt aan. De regen kletterde tegen de ruiten. Een loodgrijze lucht voorspelde dat het de gehele dag regen en nog eens regen zou geven.

De brave gastheer wilde niet hebben dat wij in zulk weer naar Assen gingen lopen. Wij konden beter met een schuit gaan. Voor her eerst maakte ik kennis met de oudste zoon, die zo vriendelijk was mij wat benzine voor de aansteker en wat tabak te geven. De aanstaande schoonzoon repareerde mijn ene schoen met een rijwielband. Toch konden wij niet blijven, want wij begrepen dat het hinderlijk zou zijn voor het ongelukkige meisje, dat veel te veel opgewonden zou worden. Ik sprak haar toe en zij giechelde maar. 't Was in en in droevig. Wij stonden op en namen afscheid van onze vriendelijke gastvrouw. Weldra liepen wij op de modderige landweg. Loek struikelde over prikkeldraad, dat over de berm van de kanaalweg was uitgespreid. Een winkelhaak in zijn, gelukkig, oude broek was het resultaat van de gewaagde onderneming om op het gras aan de kant te gaan !open. Wij waren toch uit ons humeur door die beroerde regen. En nu nog een winkelhaak! Loek trok een ongelukkig gezicht. Enfin, niets aan te doen. Bij de sluis aangekomen, liepen wij op een drafje, tenminste voor zover mijn bagage dat toeliet. Er zou juist een schuit wegvaren. Wij riepen en eindelijk wij waren erop, liepen langs het gangpad en verdwenen op uitnodiging van de schipper in het binnenste van de boot, dat met luiken afgedekt was. Zie zo geen last van de regen. De schippersvrouw stak ook even haar hoofd door het open luik en knikte vriendelijk toe. Wij zaten op een lege kist mijn vrouw op een stoeltje. Wat kon ons deren? Wederom waren wij geholpen. Met een matige gang gingen wij voort. Hoever zij gaan met dit hondenweer? Wij wisten het niet. Even later kwam de schippersvrouw met het hoofd door het luik kijken.

Zitten jullie goed? Wat een weer, hè? Hier, drink maar lekker op” en een blad verscheen met een theepot, kopjes, melk en zowaar een beetje suiker.

Een traktatie! Het ruim van het schip was leeg. Een duffe aardappellucht hing in de ruimte. Door het open luik konden wij de triestige lucht zien, waaruit de regen gestadig neerstroomde. Wat een weer! De schipper kwam nog eens kijken en verklaarde dat hij met dit weer niet verder ging dan Hijkersmilde. Dat viel tegen. Maar och, je kunt toch ook niet alles verlangen. 't Was toch al mooi, dat hij ons meenam.

Een uur later meerde hij in de stromende regen aan. Hij stapte aan land om wat vlees en worst te halen. Ik sprong tevens aan de kant om een stukje worst zonder bon te kopen. De toonbank lag opgestapeld met fijne glimmende rookworst. Ik watertandde en kreeg een wee gevoel in de maag. Maar op mijn vriendelijk verzoek om maar een klein stukje worst voor de kleine jongen kreeg ik neen” tot antwoord. Hij kon het niet doen. Kwam niet uit met de bonnen. 't Was een hard gelag de winkel te moeten verlaten.

Naderhand hoorde ik dat hij altijd zo was, die zoon van de burgemeester. Een brave” man! Als het een doodgewoon slagertje was had ik er niet op aangedrongen. Maar zo'n stapel worsten te zien en bovendien nog de worstmakerij zelf, dat was erg. Enfin niets aan te doen. de schipper verklaarde in dit hondenweer niet verder te gaan en adviseerde ons over te stappen op een ander schuit, die toevallig naar Assen ging. Dat deden wij ook. Gelukkig mochten wij ook hier in het lege ruim van het schip zitten. Ook hier weer die duffe dompige lucht van aardappelen. Hier en daar lagen ze in het stro op de grond verspreid. Wij telden ze. Wat een overdaad! Hier lagen nog restjes van bij elkaar nog 10 kilo. Zonde dat die verloren gingen. Wat zouden ze thuis gelukkig zijn geweest met wat hier over was. De gedacht aan ons huis deed ons weer voelen wat honger was en wij sneden maar weer een paar stukken brood met rogge uit Staphorst aan. Wat hadden wij toch een honger. Je kon wel blijven eten. Gewoon hol van binnen.

De schuit kwam aan de kant. De schipper moest een boodschap in een winkel doen. Even later zagen wij een bruine kop van een Curaçaose inwoner naar binnen kijken. Kort daarop verscheen een jonge vrouw gevolgd door de Curaçaoënaar, blijkbaar haar echtgenoot. Zij installeerden zich eveneens op een kistje in het ruim van het schip en vertelden dat zij uit Amsterdam waren op weg naar een boer in Tweggelo een gehucht in de buurt van Beilen of Assen, dat weet ik zo precies niet meer.

Hij ging voor de O.T. werken. Hij had volgens zijn zeggen genoeg van de honger”. Eigenaardige uitdrukking. Hij had maling aan de Engelsen, die hem niet hielpen met eten.” Bij de Duitsers kreeg je het wel” mompelde hij en daarom ga ik naar O.T.” (Org. Todt).

Bovendien sneed het mes volgens hen aan twee kanten. Hij gaf aan zijn werkgever thuis op, dat hij onderdook en kreeg nog bovendien salaris en voeding van de O.T.. Onsympathiek! En ik was weldra in een scherp gesprek gewikkeld waarin ik hem op het verkeerde van zijn daad wees. Maar hij had maling aan alles. Nee, dat was niet bepaald een goed vaderlander al kon ik de honger wel voorstellen.

Zij gingen daarna weer naar Amsterdam om de baby te halen. Zo zaten wij nu eens pratende, dan weer zwijgend aan te kijken. Door het open luik gutste de regen bij stromen af en toe keek ik eens naar buiten. Je moest dan een trapje op om het luik te bereiken. Regen, regen, regen, .......

Op de weg langs het kanaal overal plassen waarin de regendruppels vielen als dansende poppetjes. Wat een weer! Hoe moesten wij in Assen komen? Gekke vraag! Wij zaten toch in een schuit! Hoe en waar zouden wij slapen? Altijd weer die eeuwige vraag van waar slapen”? Wij wisten het niet. Daar zaten wij weer, zwervers. Hoe zouden zij het thuis wel vinden ons zo te zien zitten in een schuit, met steen koude voeten. Ik huiverde en voelde mij hoe langer hoe rilleriger” worden. Kwam Assen maar in zicht! Ik keek eens om mij heen. mijn vrouw had haar voeten in een bos stro gestoken, Loek trachtte zijn voeten warm te houden door af en toe te stampen. De man uit Curaçao lag halverwege in het stro terwijl zijn vrouw zich rondom in het stro gewikkeld had. Daar zaten zij nu, arme zwervers. Een triestig toneeltje.

Reis naar Drenthe 13Gelukkig, wij zagen we rijen” huizen! Assen! Eindpunt. De schuit kwam aan de kant. Wij bedankten de vriendelijke schipper hartelijk en waren in Assen. Regenen, dat het goot. Proberen maar weer een hotel te krijgen.

In het hotel Het Wapen van Drenthe” konden wij kamers krijgen, alleen op vertoon van een vergunning van de Duitse Wehrmacht. Daar had je het weer. Vergunning! Wij gingen in de stromende regen naar het politiebureau legden de toestand uit. Zij verwezen ons naar de Ortskommandantur. Weer op de weg. Regen en nog eens regen. De Duitser die ons te woord stond weigerde ons binnen te laten en zei kortweg, dat de Wehrmacht geen vergunningen meer gaf. Het was een oude kerel, nauwelijks in staat een geweer te dragen.

Ik zei hem in het Duits, dat ik dat wel gedacht had, dat een Hollander met vrouw en kind in zijn eigen land niet eens onderdak kon vinden en zei verder in zuiver Hollands:

Barst voor mijn part”,

Ik was woedend. Ik had hem wel aan zijn eigen bajonet willen rijgen. Wat een kerel!

Enfin, dan maar weer proberen om bij particulieren onderdak te vinden. Wat een toestand. Wij waren net bedelaars. Mijn vrouw schaamde zich en stond met Loek een eindje te wachtten, telkens als ik belde.

Niemand had er plaats. Was dit nu het gastvrije Noorden? Weer maar eens proberen.

t Spijt ons, geen plaats” was steeds het antwoord.

Ten einde raad besloten wij terug te gaan naar huis. Dat was hier toch niets. Ik was juist van plan een voedselauto aan te houden toen een juffrouw ons toeriep

Voorzichtig mensen, denk om die Landwacht.”

Wij zagen op de treeplank aan de anderen kant van de auto inderdaad zo'n zwart geüniformeerde kerel die de chauffeur opdracht gaf een straat in te rijden. Wat dan? Weer eens aanbellen? Vooruit dan maar weer. Verdikkie, dat is weer dezelfde straat. Hier zijn wij alle drie al geweest. Dominee had geen plaats. Daarnaast ook niet! Hopeloos! Mijn vrouw had tranen in de ogen. Loek trok een gezicht van

Alles komt wel terecht. Mijn vader zorgt er wel voor.”

Ik kwam juist onverrichter zake weer een huis uit stappen, toen ik een dame aan de deur zag staan die ons wenkte.

Zoekt U iemand?” informeerde deze vriendelijke dame.

Ik legde de toestand in een paar woorden uit.

Kom binnen” zei ze eenvoudig
maar veeg Uw voeten goed aan de mat, want die olie rommel op straat loopt allemaal in.”

Wat een geluk! Hoe kwam dat toch, dat niemand onderdak kon krijgen en wij wel? Opgelucht kwamen wij boven, maakten kennis met de heer des huizes en weldra zaten wij om een gezellige haard, Een weelde! Zo even nog drie zwervers thans weer mens, rondom de haard, behaaglijk warm.

Loek kreeg alvast een sneetje brood. Mevrouw Smit had schik in hem. Weldra waren wij in een geanimeerd gesprek gewikkeld en het bleek dat hij ook niets van de Duitsers moest hebben. Ik stel voor, hem onze bonnen te laten inwisselen. Maar dat wilde hij niet.

Jullie kan best zulf die bonnen gebruken en als ze op het Bevolkingsbureau in de gaten kriegen dat ik loges het dan krieg ik de volgende keer N.S.B.ers.”

Ik legde hem uit dat het toch maar voor een nacht was. Maar daar wilde zij niets van weten.

Morgen is het Zaterdag” zei Mevrouw Smit
En dan blijven jullie en overmorgen is het Zondag en clan kunnen jullie niet gaan reizen.”

Wat een brave mensen! Zij hadden bonnen genoeg, verklaarde de Heer Smit. Wat een uitkomst! Het duurde niet lang of wij zaten aan tafel en ik zal het tafereeltje maar niet beschrijven. Het wordt eentonig om steeds weer de hongerige leeuwen” te memoreren. Genoeg zij te vermelden, dat alle broden als sneeuw voor de zon verdwenen. lk kreeg nog wat tabak en bij lamplicht zaten wij nog even na te praten en toen……..naar bed.

Stel je voor een bed! Maar eerst namen wij nog een voetbad. Loek kon zijn kous niet uit krijgen. Voorzichtig hielp ik hem. Toen bleek, dat het bloed in de kous was gestold en aan zijn hielen vastgeplakt was.

Dapper kereltje! Geen klacht geuit, geen kik gegeven. Ik was trots op hem. Een halfuur later waren wij in slaap. Een rustige slaap, door niets gestoord. Wij waren te moe om nog na te praten.

 

Een week in Assen

De volgende morgen kregen wij een heerlijk ontbijt. Wij babbelden over koetjes en kalfjes, maar spoedig kwam het doel van onze tocht ter sprake. Maar kinderen, luister eens, wat moeten jullie in Groningen doen. Dat is een grote stad. Die mensen hebben toch ook geen voedsel.” 't Was inderdaad zo. Wij dachten aan Oom Jan in den Dolder, die ons een afschrikwekkend beeld van de voedselpositie in Groningen alsmede van de logeergelegenheid bij mijn neef had opgehangen.

Jullie kunt beter bij een boer ondergebracht worden. Ik zal eens aan mijn man vragen of die niet een boer weet, die jullie wilt hebben.”

Dat zou de oplossing zijn. Bij een boer! Alweer: lekker eten en de buitenlucht steeds weer dat spookbeeld: honger! Altijd weer op het zelfde onderwerp, het etensvraagstuk. Als wij maar bij een boer konden zijn.

Meneer Smit deed zijn best. Zijn collega op kantoor idem. Maar het lukte niet. De Maandag ging voorbij zonder dat wij enig resultaat geboekt hadden. En Dinsdag bleek, dat Mevrouw Smit geen broodbonnen meer over had en dus waren wij genoodzaakt hun rantsoen mee te helpen opeten.

De situatie was alles behalve plezierig. Bonnen ruilen konden wij niet en mochten wij voor de Familie Smit niet doen. uit vrees voor maatregelen van het evacuatiebureau. Nee, dat bezwaarde ons.

Ik sprak er met mijn vrouw over en ook deze vond de situatie vreselijk.

Wij konden onmogelijk hier blijven” sprak zij,

Je kunt niet verlangen, dat zij alles met ons opdeelt. Bovendien is Mevrouw Smit zwak, je kunt merken, dat ze wel wil, maar zij kan niet. 't Beste is om die boer in Havelte te schrijven. Misschien wil die ons opnemen voor een week.”
Ik schreef onmiddellijk, maar ........ de brief is nooit verzonden. Ik hield hem voorlopig in de zak, met het voornemen hem later te posten. Wij werden enigszins stil. De familie Smit beurde ons op maar wij wisten wel beter. 't Was of wij afscheid moesten nemen van de familie, die ons dierbaar was geworden. Wij hadden intussen een pot met krokusjes gekocht, waar de familie erg blij mee was. Dinsdag kwam. Geen bonnen genoeg. Ik ging de deur uit en het lukte mij, een brood zonder bon te kopen. 's Morgens vroeg ik of haar melkboer in Ter Aar misschien plaats voor ons had. Ik wandelde met Loek 6 km. naar Ter Aar en vroeg om melk voor familie Smit. Geen melk.

Op mijn vraag of zij misschien iemand wisten, die man, vrouw en kind konden opnemen tegen betaling kreeg ik ontkennend antwoord. Andere boeren in de omtrek konden ons ook niet helpen. Onderweg kregen wij nog een bord pap en een boterham. Waarom ook niet? Ik voelde mij weer zwerver en elke boterham bracht verlichting voor thuis mede.

Wij kwamen vermoeid thuis zonder uitzicht op een verblijf bij de boer. Wij voelden ons te veel. Niets is minder prettig dan het gevoel, geduld te worden. En toch was de familie Smit erg hartelijk. Zij deden alles om 't ons naar de zin te maken. Maar zij kregen ons gevoel” niet weg.
's Avonds kwam meneer de Groot, een collega van de gastheer vertellen dat misschien, maar niet heel zeker een kans was bij de boer in Grolloo.

Hij zou er morgen eens heengaan. Er was een schoondochter van een boer uit Grolloo bij haar geweest, dat wil zeggen bij zijn vrouw. Toevallig was er sprake van ons drieën. Misschien was haar tante, eveneens in Grolloo woonachtig, bereid ons op te nemen. Meneer Smit wou ook mee. Mijn vrouw adviseerde mij ook te gaan.

Dan kan ze je meteen zien.”

Die zelfde avond gingen wij verlof vragen aan de chef van de beide heren of zij Woensdag vrij mochten hebben. Dat was in orde.

's Avonds in bed lagen wij met z'n drieën nog wat te babbelen.

Zal je goed praten, man?”
lk zal heus wel mijn best doen!”
Verbeeld je dat het zal lukken. Fijn, voor het kind ook veel beter, de buitenlucht in. Hier kan hij maar een beetje spelen, maar bij de boer de gehele dag buiten. Wat zal die kleine knul dat heerlijk vinden.”
lk zou het zelf ook graag willen. Dan heb je eens echt vakantie. En dan het eten, dat is vast goed!”

Daar had je het weer, eten, eten. Altijd weer dat zelfde chapiter eten…….

De volgende morgen fris weertje, droog en vriezend. Gedrieën stapten wij er lustig op los. Anreeperstraat daarna de weg naar Ekehaar. Een enkele wandelaar kwamen wij tegen. De heer Smit was een onderhoudend verteller en de heer de Groot wees ons telkens op verschillende dingen in het land, op het gras en op de bomen die hier en daar al tekenen van de lente gaven. Ik sprak af en toe om niet onbeleefd te schijnen maar telkens dwaalden mijn gedachten naar het a.s. bezoek bij de boer.

Zou het lukken?” eindigde ik steeds als ik mijn gedachten weer op een ander onderwerp bracht.

't Scheen of de Groot mijn gedachten raadde en hij lachte zachtjes, vriendelijk mij toeknikkend en zei

't Zal toch raar moet'n loop'n als ie je niet opneemt, heus geen zorgen voor d'n tied!”

In café Schuring in Ekehaar even een kop koffie nemen. Zo, zo, al 1½ uur gelopen bijna. Nu nog de helft.

Valt nait met” zei Smit lachend.

De koffie was natuurlijk surrogaat, maar ze smaakte. Wij maakten nog even een praatje. Ik draaide een sigaretje van de tabak, die ik van Smit gekregen had. Sjonge, sjonge, wat is het hier rustig. Hier zou ik ook wel willen blijven. En mijn vrouw en Loek. Mooi zo'n uitzicht op de weiden en akkers. Zou het lukken bij die boer? Daar had je het weer. Altijd maar weer eindigen met de eeuwige vraag

Zou het lukken?”

We stonden op, borgen de rest van de boterhammen weer in onze zakken en vertrokken weer. Nog 1½ uur lopen. 't Viel niet mee. Als je zo met z'n drieën liep merkte je het niet zo op, maar ik met mijn zwakke corpus merkte toch wel dat ik het stevige !open verleerd was.

Niettemin hield ik het goed vol. Langs allerlei paden en straatwegen kwamen wij in Amen en op de straatweg even voorbij Amen zagen wij heel in de verte het spitse torentje van Grolloo tussen het wazige geboomte. Links en rechts strekten zich aan de horizon donkere strepen van de bossen. De Groot wees links en merkte op dat daar het bos van Servatius moest zijn. Hij vertelde mij dat het bos links het eigendom van Servatius was, een gepensioneerde Kantonrechter of zo iets, die daar tevens een landhuis bezat. Al spoedig waren Smit en de Groot in een gesprek gewikkeld over een boer die Boer heette waar wij moesten zijn om het adres te horen van zijn zwager, die ons zou opnemen, misschien………
Wij naderden meer en meer ons einddoel en eindelijk bij een splitsing van de weg zagen wij zo’n stenen paddenstoel: Grolloo 1 km. Gelukkig, dat was maar een kippenstapje. Wat een idyllisch dorpje. Elk huisje stand apart. Overal heggetjes langs de voortuinen, Eenvoudige huizen, groot dak, kleine vensters. De Groot bracht ons weldra bij zijn kennis, Boer genaamd, die ons hartelijk welkom heette en ons uitnodigde om een kop koffie te nemen. Zo zaten wij daar, toen zijn zoon Jans Boer binnen kwam, een vriendelijke Drentenaar, getrouwd, Vader van een meisje van 3 jaar, blonde krulletjes.

Jans bood ons aan om ons de weg te wijzen naar zijn Tante, vrouw Enting, die misschien bereid was om ons op te nemen, man, vrouw en zoontje…..

Weldra kwamen wij daar aan, maar troffen alleen de vrouw thuis, maar die durfde zonder man” niet direct te beslissen. Hij was naar Rolde het peerd om te ruilen. Om 2 uur zou hij terug zijn. Wij gingen weer terug met Jans mee om onze boterhammetjes op te eten. Vrouw Boer bekeek mij eens en schudde haar hoofd.

Meneer, wat zie'j der slecht oett. 't ls me wat. We gaot eten en jullie eten een happie met.”

lk protesteerde zwakjes en wees op mijn boterhammetjes. Maar wij moesten mee eten. Heerlijk aardappelen met boontjes en vlees en spek uitgebakken. Nog hoor ik het randje hard gebakken spek kraken tussen mijn kiezen. Wat een koningsmaaltijd! Ik verhaalde van het eten in Den Haag, van de duurte, van de zwarthandel. Zij waren een en al aandacht. Ik bedankte ze hartelijk voor her middagmaal. Inmiddels was het tijd om boer Enting op te zoeken.

De Groot adviseerde mij om mijn mond dicht te houden, want het moest kalm onder ogen gezien worden. Hij zou het wel even voor elkaar boksen. Gelukkig, de boer was thuis”. Zou het lukken? Daar had je het weer die vraag. De boer was een eenvoudige stoere kerel, die Drents sprak, waar ik geen woord soms van verstaan kon.
Zij praatten over koeien en peerden, over swienen en konienen, maar waar het over moest gaan, de opneming van drie hongerige mensen, dat was nog lang niet aan de beurt. Eindelijk kwam de Groot los. Hij wees op mij en vertelde water aan de hand was.

Zo”, antwoordde boer Enting
Sjust, ja, ik heb der juust over had mit mien vrouw, sja, wat za'k zeggen” en hij zweeg en keek naar zijn vrouw, die naar de weide tuurde alsof het haar niet aanging.

Reis naar Drenthe 10Daar zat ik. Mocht ik het zelf maar zeggen. Mocht ik zelf maar mijn toestand in een gloeiend pleidooi uiteenzetten. Kon ik ze maar overtuigen. Die Groot kende er niets van. Maar ik had nu eenmaal beloofd hem aan het woord te laten. En weer begon het gesprek over het mirakels best peerd dat ie ruild” had. Een monsterpeerd had hij nu. Wat kon mij dat beest schelen. Om ons ging het! En weer kwam het gesprek op ons drietjes en weer verzonk de boer in een somber stilzwijgen. Mijn hemel, wat moest ik beginnen! Zeg dan wat, man. Ik zat op hete kolen. En alle beloften ten spijt hield ik plotseling een vurig pleidooi. Ik wees er op, dat het slechts om enkele weken ging.

Hij zou ons er mee redden, ik zou ervoor betalen en hij kon ons te allen tijde er weer uitzetten. Ik was en bleef aan het woord. Als een waterval stroomden de zinnen. Stuk voor stuk schilderde ik voor de toeschouwers onze toestand en ik herinner mij dat zij allen naar mij luisterden, geboeid en ik eindigde met er op te wijzen dat het beter was mensen in huis te hebben, waarvan men wist dat ze geen N.B.S. 'ers waren, dan straks van de Burgemeester aanzegging te krijgen dat zij verplicht waren N.S.B.-ers op te nemen. Zij knikten van ja. Toen zei de boer

Kiek ies, mien vrouw hef er de last van, ik niet,”

Dat was 1-0. Vrouw Enting repliceerde, dat zij er eigenlijk niet voor ingericht was om 3 mensen op te nemen, maar zij had toch eigenlijk mitlieden met mie en .ze most het dan maar doen. Zij zou menier even de kamer wijzen. Wat een geluk! Niemand kon weten wat een geluk dat voor ons betekende. Onderdak! Bij een boer! Ik kon wel schreeuwen. Ik had geen belangstelling voor de kamer, kon mij niets schelen. Wij waren gered! Wat zal mijn vrouw en Loek er van zeggen! Wij bleven nog even praten. Ik bedankte de boer en stelde onze komst op Vrijdag 2 Maart vast. Zie zo, weer naar huis. Nee, nog even konijnen kopen. Dat was gauw gebeurd. In de buurt was wel een boer die misschien een paar konienen” kwijt wilde. Ik betaalde voor drie konijnen samen F35,= gulden. Voor een zo'n beest had ik in Den Haag 80,- gulden moeten betalen. Ik floot een deuntje en keek eens naar de drie beesten die in een zak gedaan werden. Daarna een stok, de zak eraan gehangen en dan ..... naar huis. gauw naar huis! Wij zetten een stevige pas in. Even omkijken. Even onthouden welk huis zij zouden bewonen. Juist, de tramrails en dan het hoekje, precies. Sjonge, sjonge, wat een geluk! Wat is de wereld toch mooi! Prachtige natuur. Heidevelden. 3 Weken onderdak

Meneer lacht maar” zei de Groot.
Nou jong, ik wist niet da'j zo praoten kunnen merkte Smit op.

Ik lachte maar en stapte er stevig op los. Niets kon mij deren. Geen kou, geen regen. Wij hadden onderdak. Smit en de Groot sjouwden met de beesten. Even uitwijken aan de kant, want daar komt een fietser. Ik ging ook even achter !open. De fietser passeerde. Een mager mannetje. Zag ik het goed ? De fietser was niemand minder dan onze wasbaas uit Den Haag! Wat deed die man hier? Hij herkende mij niet en ik vond het beter hem niet te roepen. Je kon nooit weten, wat hij hier deed. Hoe is het mogelijk! Wat is de wereld toch klein. Ik nam de vracht van Smit over, die hijgend en blazend naast ons voortliep, Ik voelde geen vracht en de Groot met zijn lange benen voegde zich wonderwel bij mijn tempo. Zo, zo, Ekehaar al, Café Schuring de helft al afgelegd. Smit zag een koetsje van de veearts.

Halt!” riep de Groot
Landmacht!”

De veearts lachte, kietelde de Groot met zijn zweep en nodigde ons uit om in te stappen. Alweer een avontuur! Scheelde ons alweer een halfuur lopen. Wij keuvelden gezellig en na een kwartiertje gereden te hebben moesten wij jammer genoeg er weer uit, want hij ging rechts af en wij moesten recht door. Smit sukkelde weer achter en klaagde over zijn voeten Ongewoonte” zei de Groot en voort met een behoorlijk tempo. Eindelijk de huizen van Assen. Station, Wilhelmina Ziekenhuis, het laantje in. Bijna thuis. Daar zie ik een klein figuurtje op ons afstomen. Loek kwam
ons tegemoet.

Dag pap  riep hij, en hoe is het, wat hebt U daar, mogen wij bij die boer?”
Ja, hoor, zeg maar, dat wij in aantocht zijn en dat wij Vrijdag bij die boer worden opgenomen.”

Weg rende hij. Thuis gekomen werden wij verwelkomd. Overgelukkig! Smit trek gauw zijn schoenen uit.

Zo, zo ik ben thuis jong.” zei hij. Het bleek dat hij twee blaren had onder aan de voet.

Wij hadden de terugweg in 2 uur volbracht. Een reuze prestatie! 12 km. in 2 uur met 3 konijnen”. Er werd direct een beest geslacht. Een werd aan de Groot cadeau gedaan. De ander werd een hok toegewezen. Een pracht dag. 's Avonds in bed moest ik alles vertellen. Was het wonder dat wij zonder zorgen sliepen? .....

 

Grolloo

De volgende morgen bracht ons een pijnlijke verrassing: Mevrouw Smit ziek. Zij bleef in bed en was volkomen op. Bleek lag zij terneer en fluisterend vroeg zij aan mijn vrouw zo lang het huishouden waar te nemen. Wij konden ons niet aan de indruk onttrekken, dat het drukke gedoe in verband met onze aanwezigheid deze gevoelige natuur voor een te zware opgave had gesteld. Wij hoopten maar, dat zij gauw zou opknappen. Tegen elf uur verergerde de toestand en ik ging op haar verzoek de heer Smit van kantoor halen. Deze toonde zich nogal flink en vertelde dat wij ons heus geen verwijten moesten maken, want zij had dit wel eens meer. 's Middags ging hij weer naar kantoor. lk wist niet waar ik aan toe was. Wel wist ik dat mijn vrouw op een ouderwetse manier het konijn gebraden had, dat ook de patiënte zich te goed deed en dat 's middags het onderhoud met een bezoekster bij de patiënte zeer in de smaak gevallen was. Voor ons een teken dat zij opknapte en waarlijk, 's avonds was zij weer op en vlijde zich op de canapé in de huiskamer. Gelukkig, dat was weer in orde en 's avonds kropen wij weer in bed en keuvelden over dingen, die ons bij de boer te wachten stonden. De volgende morgen gingen wij welgemoed op reis. Wij waren weer voorzien van onze spullen vermeerderd met een beddentijk, om door stro te laten vullen. Het weer was koud en het woei vrij hevig. Af en toe sneeuwvlokken en hagelstenen van die Maartse buien......

Loek had de bivakmuts op, mijn vrouw de persianer mantel en de skibroek aan. Ik had voor de variatie twee dassen om. Aldus uitgedost namen wij hartelijk afscheid van de familie Smit, die zo goed voor ons was geweest en aan wie wij het tenslotte te danken hadden, dat wij bij die boer terecht kwamen. Wij gingen de Anreeperstraat weer in en weldra behoorde Assen weer tot het verleden. Even keken wij nog om. Vaarwel Assen, misschien zien we je nooit meer, maar dat liep toch anders dan wij gedacht hadden ........

Stap, stap, stap klonken onze voetstappen in marstempo. Wij hielden het, niet tegenstaande onze bagage lang vol, maar toch vonden wij het na een uur lopen weer welletjes en gingen weer even rusten. Wij kwamen over tankvallen, die onder leiding van een kanariepiet (een in gele uniform gestoken Duitser) gebouwd werden.

Bouwen jullie maar.” dacht ik
Nog een paar weken en jullie nemen de benen.”

Verder maar weer, vooruit! Gelukkig hadden wij wind mee. Loek kreeg het warm en zijn blozende bolle wangen legden getuigenis af hoe gezond hij was. Ook mijn vrouw zag er niet bepaald uit of zij honger had. Integendeel! Ook zij vertoonde blosjes op de wangen, die moedernatuur erop getoverd had. Wij giechelden en lachten en waren net kinderen en als je het mij eerlijk vraagt, dan geloof ik dat Loek het minste kinderachtig” was van ons drieën, Toch viel het !open met die bagage tegen en wij verlangden naar een kop koffie. Hè, hè daar had je gelukkig café Schuring in Ekehaar. Zie, zo, de helft zat er op. Na gerust te hebben togen wij weer op pad. Ekehaar, weg naar Amen, dan Amen zelf.

Hoe lang nog?” vroeg mijn vrouw
Nu is het niet meer zo ver” antwoordde ik.

Loek en ik gingen voorlopen, dan konden wij tenminste voor het tempo zorgen.

Kijk, hier heb je de bocht van het spoortreintje en hier heb je de weg naar Grolloo” merkte ik op. Loek herhaalde die opmerking voor zijn moeder.
Gelukkig” zuchtte zij.
Ik ben heus moe. Ik voel overal stenen. Laten wij eerst nog eens rusten”

Vooruit maar weer. 't Was een eentonige weg, geen boompje te vinden. Overal heide en akkers, met tamelijk nieuwe boerderijen. Je kon zien , dat alle akkers zo uit de heide geschapen waren, want tussen de akkers in vond men nog grote stukken ontgonnen heidegrond. Rrrt, rrrt hagelbuien .Au, net een hagelkorrel op mijn neus. In een ogenblik hadden wij witte schouders en de hagelsteentjes bleven in de bontkrulletjes van Moeders mantel zitten. Sjonge, sjonge, wat een bui. Niet versagen, jongens, doorlopen! Ik wou dat ik er al was.

Zijn wij er nog niet?” klonk de stem in de achterhoede
Ik zie wel in de verte de toren van Grolloo.” antwoordde ik.
Mam, daar heb je de kerktoren.” herhaalde Loek weer en telkens ging hij naar de achterhoede om mijn opmerkingen nog eens te herhalen.

Eindelijk, het bekende paddenstoeltje: Grolloo: 1 km. Gelukkig en daar was het huis van Enting. Rrrt, rrrt weer een hagelbui, dat kon er ook nog bij. Niet schuilen dat korte stukje!

Reis naar Drenthe 14

 

Reis naar Drenthe Hendrik Jacobje en Jan Enting klein(Op de foto links: Hendrik, Jopkien en Jan Enting van begin vijftiger jaren)

Vrouw Enting zag ons deed de keukendeur open en riep ons. Zie zo, even voeten vegen en wij waren binnen. Jans broer, de timmerman was ook aanwezig. Wij ontdeden ons van hoed en jas en zaten weldra gezellig om de vulkachel

Nou, mevrouw als ik oe zo aanzie, dan bint ie niet iene die op mot knappen en die jongen ok niet. Je man wel, die is ziek. En wul ie wel geleuven als ie met kommen waren, dan ha'k niet weten of ik het wel doen had. Wat zie'j der goed oet!”

Wij keken elkaar aan en lachten.

Gelukkig dat ze er zo uitzagen! Daar kwam de koffie. Een plak brood erbij. Wij hadden altijd honger. Zie zo, een knappe jongen als je ons hier weer uit krijgt. Buiten sneeuwde het voor de variatie, Loek haalde zijn paardje te voorschijn en speelde op de vensterbank. Hij was op zijn gemak. Hier hinderde het niet of je een snippertje papier liet liggen, of een paardje op het kastje zette. Dat was wel voor elkaar. Jans nam afscheid en beloofde mij wat tabak om een sigaretje te draaien. Toen kwam Enting Jr. binnen,. Een stevige boerenjongen, korte broek, blozend gezicht, een kop groter dan Loek, maar hij was ook vier jaar ouder. Hij toonde zich ingenomen met ons bezoek en verklaarde telkens dat hij het fijn vond. Hij interesseerde zich voor de speelgoedpaardjes van Loek en begon direct een span” voor de wagen te maken. Het was een gezellig huiselijk tafereeltje. Daarna kwam Enting binnen, begroette ons hartelijk en was direct in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Hij wou volstrekt niet hebben, dat meneer” zich vermoeide en verklaarde telkens dat ik veel moest eten, dan was ik weer gauw er boven op. Het eten kwam! Heerlijk kalfsvlees, aardappelen en gestoofde peertjes en een bord pap toe. Enting had de grootste schik in Loek, die als een grote man alles naar binnen werkte. Ik voelde me echt voldaan. Dat was nog eens eten! Om vier uur weer koffie met een snee brood en rogge, met veel stroop. 's Avonds om zes uur roggepap met voile melk erover en desnoods een snee brood toe. Hier kwam men weer op krachten. Hier had men rust. Hier kwamen geen Duitsers om je op te sporen. Toen het donker werd haalde Jan een fietswiel waarop een dynamo gemonteerd was. Met de hand aan een kruk werd het wiel in beweging gebracht, een klein lichtje brandde, voldoende om elkaar te zien. Jan zong enige liedjes en wij luisterden. Het was echt gezellig, zo huiselijk. Af en toe gaf ik een liedje ten beste of vertelde een mop en zo vloog de tijd tot het klokje van gehoorzaamheid ons noodzaakte om naar bed te gaan. Wij brachten eerst nog eens visite in de koestal waar de W.C.” gevestigd was. Een olielampje verschafte ons licht. Het wierp fantastische schaduwen in de stal en op de ruggen van de koeien, die af en toe hun staart over de rug sloegen om de lastige vliegen weg te jagen. Die W.C. was heel eigenaardig. Zij was niet met een deur afgesloten en de dichtstbijzijnde koe kon je terwijl je daar zat met de hand over haar rug wrijven. Hij lichtte haar op en keek ons lodderig aan, blijkbaar onverschillig voor het vreemde bezoek. Zij maakte een rammelend geluid, veroorzaakte door de zwiepende staart, die vanwege het gevaar voor de W.C.-gangers met een touw aan een horizontaal gespannen ijzerdraad was vastgemaakt. Enfin, wij gingen naar bed. Het was een bedstee groot genoeg voor ons, d.w.z. voor twee mensen, maar Loek moest er ook bij en nu werd het een beetje passen en meten. Het ging goed en weldra lagen wij vermoeid maar voldaan in de kooi. Sjonge, wat heerlijk en wat een eten! Wat zullen wij morgen krijgen? En zo keuvelende vielen wij in slaap, die alleen werd onderbroken om een noodzakelijke kennismaking met het witte voorwerp met een oor dat vrouw Enting ons beschikbaar had gesteld. Wij konden af en toe de koeien horen loeien het ritselen van het stro als de beesten om niet te spreken van klappende geluiden, die nu eenmaal onafscheidelijk bij de koestal behoren en zolang er koeien op de wereld zijn, gehoord zullen worden. Die zelfde nacht hoorden wij weer het bekende geluid van Engelse vliegtuigen die hun dood en vernieling brengende last boven Duitsland gingen uitgooien. Wij waren niet bang. Wij hadden geleerd ons te vergewissen of ze ver weg waren en luisterden naar het gebrom der motoren...

Dan sliepen wij weer als rozen ..... Dankbaar, dat wij hier mochten zijn te midden van vriendelijke mensen. Wat was ons leven toch avontuurlijk. Hier sliepen in een klein vergeten dorpje in het hartje van Drenthe drie Hagenaars, die door de honger have en goed verlaten hadden, eenzame zwervers. Hoe lang zouden wij hier mogen blijven? Afwachten maar. Voorlopig waren we hier en we zouden wel weer zien. Hè, hè even uitstrekken………..Slapen, slapen………….

 

Ons pension in Grolloo

Reis naar Drenthe Amerweg 37Het was nog een beetje onwennig de volgende morgen. Wij werden wakker door het loeien der koebeesten en het gemopper van Enting, die luide verwensingen tegen de koeien uitstiet, tijdens het melken. Maar tevens vroegen wij ons verwonderd af of het soms erg laat was, want wij roken de geur van gebakken aardappelen. Alweer honger! Zou dat dan nooit ophouden? Wij gingen ons wassen en aankleden en gingen aan tafel. Vrouw Enting begroette ons met de vraag of wij goed geslapen hadden.

Nou en of, heerlijk” antwoorden wij en doken haast letterlijk in de gebakken piepers, brood, warme melk enz.

Vreemd toch zo'n kamer, waarin gekookt, geslapen en gegeten werd. Alles was licht lila en roze geverfd. Het venster gaf uitzicht op de weide met daaromheen boerenwoningen. Voor het huis liep de weg naar het dorp en naar Amen, het dorpje 4 km. verder. Weldra wisten we de namen der bewoners rondom en naderhand maakten wij kennis met de buren. Aardige eenvoudige mensen, harde werkers. Zij wisten na een paar dagen precies, hoe wij reilden en zeilden en elke keer als wij gingen wandelen knikten de buren ons vriendelijk toe. Boer Enting zou kennis geven aan de gemeentesecretaris dat zij thans familieleden te logeren hadden en trachten om bonnen in te wisselen. De volgende dag werd ik ziek en tamelijk ernstig. Dysenterie met alle daaraan gepaard gaande narigheden. Ik duizelde en zag alles draaien.
Het kostelijke heerlijke eten werd omgezet in water. Ik voelde mij echter niet koortsig, alleen slap. De dokter adviseerde: in bed blijven en de eerste twee dagen niets eten, alleen een beetje karnemelk.” Hij informeerde naar mijn bezigheden in Den Haag en vroeg of ik uit Duitsland was gekomen. Ik heb hem de hele situatie uitgelegd. Aangezien door de N.S.B.-Burgemeester, die zwaar op de hand van de Duitsers was aan Enting gezegd werd dat ik moest ophoepelen, raadde de dokter mij aan om kalm in huis te blijven en mochten de landwachters mij arresteren, dan maar op de dokter beroepen. Hoe minder de mensen van mijn aanwezigheid op de hoogte waren, hoe beter. Zie zo, de steun van de dokter hadden wij. Er kon ons niets gebeuren. Dat ziek zijn en honger hebben was iets hinderlijks.
Heerlijke etensgeuren kwamen mij tegemoet en ik kreeg niets. Hoe lang nog? Vrouw Enting had eveneens medelijden en gaf tegen dokters advies in 's morgens een geklutst ei. En...... het hielp! 's Woensdags kregen wij bruine bonen met spek. Heerlijk! Ik deed mee. Waarom zit ik nu altijd te leuteren over dat eten? Eten en nog eens eten! Maar hoe kan het ook anders? Een generaal en een putjesschepper die beiden honger, schreeuwende honger hebben, tonen niet de minste belangstelling van wat om hen heen gebeurt. Neen hun eerste gedachte is hoe komen wij aan eten. En ziedaar het geleuter over het enige, het angstigste waarvoor wij leefden in die beroerde tijd, eten ...... en nog eens eten....... Mijn gezondheid ging vooruit. Mijn vrouw zag er het beste uit en Loek speelde alle dagen buiten met de jongens. Hij ravotte, rende, sprong over slootjes en ging overigens met boer Enting mee, als er geen school was, (want natuurlijk hadden wij hem op school gedaan, met de uitdrukkelijke boodschap aan de kleine peuter, niet over zijn vader en moeder te praten). Natuurlijk bleven wij op de hoogte van het verloop van de krijgsverrichtingen. De Bakker wist heel veel en zoals bleek veel goeds te vertellen. Menigmaal werd een geallieerd krantje, dat in het Duits gezet was aan mij ter vertaling gegeven en bij tientallen dwarrelden die dingen in de nabijgelegen bossen. Toch voelden wij ons wat je noemt safe. De voortdurende patrouilles der landwachters met hun jachtgeweren, het binnen zijn om 8 uur, het niet kunnen schrijven aan je familie, nee dat was niets gedaan. Men ziet, de honger had afgedaan en nu was de overwinning op de Duitsers hoofdzaak. Af en toe zag je de Duitsers op de fiets door het dorp trekken. Veel bijzonders was het niet. Wij hoorden veel geruchten, die onwaar bleken en hoorden o.a., dat Den Haag zwaar gebombardeerd was. Duizenden doden en gewonden, hele straten stonden in brand. Wat een kletspraat. Wat zouden de Engelsen daar nu aan hebben? Nee, het zal wel bedoeld zijn op de V2,. dat beroerde moffen moordtuig, dat op een klein vliegtuig geleek zonder bemanning, met grote explosieve kracht als hij op de grond terecht kwam. Nee, de Engelsen konden wel beter mikken. Hele stadswijk” zei men, was er aangegaan.” Ach, ach, wat een praatjes! De krant zei ook niet veel. Sprak van een stad in het westen des lands, die een aanval te verduren had gehad.

Reis naar Drenthe 16Wij begonnen nu toch te twijfelen en wij besloten inlichtingen in te winnen. Maar bij wie? 's Zondags kwam geregeld een winkelmeisje uit een broodbakkerij te Assen bij Enting melk halen. Zij vertelde, dat een Haagse politieagent, die met een voedselauto in Assen was aangekomen aan haar de hele geschiedenis van het bombardement verteld had. Het gehele Bezuidenhout was vernietigd. Zoveel, kerken, straten alles was weg. Benoordenhout waagden wij nog op te merken. Die agent sprak van de Schenkkade, Schenkstraat, Ch. de Bourbonstraat” hield zij vol. Dus toch! 'Hoe bestaat het! Zou ons huis ook getroffen zijn? Beroerd, dat je geen berichten kreeg. Ik bes loot een brief aan dat meisje te geven met het verzoek aan de agent te vragen die te posten in Den Haag 't Was een brief aan mijn schoonvader en een aan mijn jongste zuster. Zie zo, dan wisten zij waar wij waren en dat wij leefden! Om aan alle twijfel een einde te maken besloten wij naar Groningen te gaan, waar mijn neef, de politie inspecteur woonde. Hij moest dan maar eens de politie in Den Haag opbellen en vragen of ons huis getroffen was. Wij gingen op de fiets. Boer en zijn vrouw stonden hun fietsen af en daar gingen wij, 36 km. Wij hadden mooi weer, droog en wind achter, een stevige bries. Overal op de Rijksstraatweg zagen wij weer Splitterbox” 50 M. Wij kwamen langs Vries, een welvarend dorp daarna langs het kanaal in een prachtige laan met hoge bomen. Wij reden door Glimmen en kwamen door Haren (Gr.) en eindelijk Groningen met zijn Martinitoren. Wij informeerden bij het politiebureau en daar had je de gezochte. Die toonde zich blij verrast en inviteerde ons om te blijven zolang de oorlog duurde. Maar dat behoefde niet. Wij zetten het doel van ons bezoek uiteen en hij beloofde ons te helpen telefonische inlichtingen in te winnen. Wij bleven bij hen thuis eten en aanvaardden toen de terugreis. In die Kijk in 't Jatstraat” bij een dagbladbureau hingen lijsten met de namen van slachtoffers bij de ramp. Aan hun adressen kon ik ongeveer beoordelen welke straten getroffen waren. Daar vond ik ook Speenhoff'' Anna van Hannoverstraat cabaretier. Zo, zo Speenhoff een bekende figuur. Wij zien hem in onze gedachten nog voor ons huis wandelen, met Cesarientje, zijn kleine vrouw. Nu werd het ons toch angstig. Als de straten in de onmiddellijke nabijheid getroffen waren dan was er niet veel kans dat ons huis nog gered was.

Enfin, niets aan te doen. Wij gingen terug naar Grolloo. Vervelend, wind tegen. Dat was vermoeiend. Mijn vrouw begon langzamer te rijden.

Boe, ik moet rusten hoor!” riep ze.

Afstappen maar weer. Even rusten. Mooi dorp, Haren. Vriendelijke huizen. Daar gingen we weer. Assen 29 km.”s tond er op een bord. Nog een heel eind. De wind was heviger en er stond een behoorlijke storm. Die open Rijksstraatweg was het zwaarste. Assen 19 km.” Assen 18 km. Assen 17 km.” En wij trapten maar voort. Ik sleepte mijn vrouw mee tegen de wind in. Vrachtauto's met moffen lachten medelijdend of liever met leedvermaak” toen ze ons zo zagen zwoegen .

Wacht maar, over een maand lachen wij.” merkte ik op, dan rijden ze ook, maar als gevangenen.

Mijn vrouw pufte en zwoegde en wij schoten maar niet op. Assen 15 km.”

Hoe lang nog?”
Nog twee uur.”
Hoe laat is het?”
Halfzes.”

Acht uur binnen, kon nog net. Sjonge, sjonge wat een trap tegen wind! Ik sjouwde en trok, de wind was sterker dan ik en wij moesten voor de zoveelste keer lopen. Eindelijk, eindelijk de zijweg over Anloo, Balloo. Nu was het een genot wind achter. Op vleugelen gingen wij. Half acht Rolde. Het puntige kerktorentje stak boven de bomen uit. Gelukkig weer een bekende omgeving en nu vooruit naar Grolloo, naar Enting. Nu de open weg, dat bekende ruwe weggetje tussen verspreide wilgenbomen. Verdraaid, wind tegen, dacht ik wel. Enfin het was maar 6 km. Haasten, want we moesten 8 uur binnen zijn.

Ga jij maar, ik kan niet meer, ik ben doodop.

En die beroerde Landwacht die na 8 uur gaat patrouilleren? Ze vragen naam en adres en ziedaar pik in de baas, werken voor de Todt!” Zo mopperend op de wind en zwoegend kwamen wij thuis. God zij dank.
Boer Enting en vrouw en zoon hadden gewacht met eten. lk lustte niet veel. 'k Was misselijk van moeheid. Nog even nababbelen en dan naar bed. Wij hadden geen lust meer om na te praten.

Komt morgen wel ter sprake. Wij hoorden niets meer van vliegtuigen van de koeiengeluiden niets, alles was voor ons onwaarneembaar.

Sjonge, sjonge wat een reis. Nooit meer tegen de wind in…..dat was te erg…..leek wel een wieler wedstrijd…..8 uur binnen…..dan nog eten…..slapen…..slapen……

 

Niets te beleven in Grolloo

De dagen verstreken in dezelfde eentonigheid, zonder variatie, toch beken ik eerlijk. dat wij ons nooit verveelden. Ik zat na het ontbijt meestal in een rieten stoel met de voeten op de sporten van een andere stoel te lezen en een sigaretje te draaien. Dan stond ik na een uurtje op en ging eens buiten kijken of naar de stal. Dan om elf uur heerlijke koffie (surrogaat) met een snee brood en stroop. Als het mooi weer was dan gingen wij buiten op de strobulten zitten, die zodanig opgestapeld waren, dat wij uit de wind in het zonnetje konden genieten van de vrije natuur. En het waren dikwijls de fijnste dagen. Vaak dachten wij hoe lang zouden wij hier nog van genieten? Neem de omgeving nog maar eens goed in je op, misschien zit je over een jaar ergens anders.
Je boeltje ben je toch kwijt. een week na onze reis naar Groningen kregen wij bericht uit Groningen, dat mijn neef na ingewonnen informaties kon mededelen, dat ons huis nog volkomen in tact was. God zij dank. Niks kapot. Daar boften wij eventjes!

Een dag later een boodschap uit een café, dat telefonisch aangesloten was, (natuurlijk een N.S.B.-er, want wie had er vandaag aan de dag nog telefoon?) dat de politie uit Rolde had opgebeld om de familie aan te zeggen dat het huis in Den Haag brand en waterschade had opgelopen en dat hun overkomst dringend gewenst was. Wel verdraaid. Hoe zat dat nou? Was dat een gecamoufleerd bericht? Ik ging naar de politie in Rolde. Eleveld, de politiemajoor stond mij te woord. Hij had zelf de boodschap aangenomen en het was van de politie uit Den Haag. Mijn vrouw die meegegaan was om ook eens te informeren stond perplex. Geen naam, geen nadere gegevens. Wij snapten er niets van. Wat doen we?” Ik wilde toch wel eens in Den Haag kijken.

En Loek en ik dan? Ons laten zitten met de gedachte dat jij in Den Haag loopt te apegapen tussen de puinhopen. Denk je dat ik zin heb om hier te blijven terwijl jij hulp nodig hebt in Den Haag? Niks hoor.”
Wij zullen eens zien!”

Daar gingen we weer. Toch beroerd, dat je niet weg kon. Eleveld zei al, dat niemand meer over de IJssel kon. Dan maar blijven. Helaas niks aan te doen. Iedereen zei het, niet naar toegaan. Ja, ja, makkelijk gezegd. Wie betaalt mijn kosten? Enfin, de oorlog zou wel gauw afgelopen zijn. Zij waren de Rijn al over, hadden zij laten weten. Maar verder hoorden wij niets. Heel vaak dwaalden onze gedachten naar Den Haag, naar familie, broers en zusters, hoe die het zouden doorkomen, hoe alles verwoest zou zijn, wie er dood waren. Beroerd, dat je niets kon horen. Vervelend toch. Wie zou ons boeltje gered hebben? Enfin Pa en Tante Ko woonden boven ons, die zouden er wel op gepast hebben. Toch sloop telkens de twijfel binnen. De ene zegt je huis is gaaf en het andere brand- en waterschade. Begrijpe die het begrijpen kan. Zo ging het dikwijls. Maar het zonnetje verjoeg de sombere gedachten en verwarmde ons, terwijl wij op de strobult zaten. An aan het breien en ik lezen. Ik herinner mij niet eens de titel, maar het was een detective romannetje van mijn neef uit Groningen. Loek speelde buiten of was op school. Die trok zich nergens wat van aan. Kwam af en toe eens kijken of de ouwelui” thuis waren en repte zich weer naar de velden, of naar het bos.

Zeldzaam mooie dagen in Maart 1945! Rustig vlieden zij voort. lk heb behoefte om het zo te zeggen. Staat net echt. Ik werd bruin verbrand van het zonnetje en An zag er kostelijk uit. Loek zag er ook blozend uit hoewel het blosje heel dikwijls met vuile strepen bedekt was, omdat meneer voor de zoveelste keer weer eens op de grond gelegen had, bij het rovertje spelen. Neen, zonder overdrijven, het was een rustige fijne en mooie vakantie.
Goed eten en drinken, op tijd naar bed, geen beslommeringen, behoudens dan de gedachten aan je inboedel in Den Haag, geen drukte, geen V2's alleen nu en dan honderden vliegtuigen hoog in de lucht die van Duitsland kwamen of er weer naar toe gingen om iets te brengen. Verder viel er niets te beleven in Grolloo…………..

 

12 april 1945: Bevrijding van Grolloo

De laatste tijd kwamen er ontzettend veel vliegtuigen over en bakker wist te vertellen dat de Engelsen de Achterhoek van Gelderland binnengerukt waren. Hoera, dan konden ze gauw hier zijn. Nu volgden de berichten elkaar snel op. Zutphen, genomen, Deventer nog niet, Overijssel binnen, Hengelo, Almelo, Rijsel, rukken op Coevorden aan en op Meppel. Verdorie, nog enkele dagen. In de verte hoorden wij schieten, zeker vliegtuigen. Ja, dat kon best. Kijk daar kwam er een uit het wolkendek duiken. Daar kwam hij! Rikketiktik, verdraaid in de verte op de weg naar Amen zag je hem weer omlaag schieten. Snelvuur! Een rookkolom steeg op. Een hooimijt in brand. Even later kwam een dorpeling aan fietsen.

Ze hadden een auto van de Duitsers te pakken jong, de glasscherven liggen op de grond ik heb het zelf zien!”
Die Engelsen bint al bij Zwiggelte en rukken verder op.”

En dergelijke berichten deden ons weer goed. Opgedonderd met de moffen! Nog enkele dagen en zij waren hier.

Maar het ging toch niet zo hard als in Duitsland. Als je de berichten kon geloven, dan waren zij al in Frankfort!

8 April 1945 was Jan Enting jarig. Wij feliciteerden hem en zijn ouders hartelijk en gaven hem als aandenken een zilveren ring, waarop hij zeer trots was.

's Avonds kwam de familie even feliciteren en natuurlijk hadden de mensen het over de oorlog. Iedereen was het er over eens: het kon niet lang meer duren.

Dat was binnen kört oflopen” zeiden ze.

Wij dronken een glaasje wijn, zelf gemaakt van berkenwater. 't Was echt gezellig. Terwijl ik zo ongedwongen zo knusjes in hun midden was en ons zo gezellig zat te keuvelen toen viel mij op eens op, wat idioot toch eigenlijk. Mijn huis misschien weg, geen meubels, niks meer en daar zitten wij nu, midden in Grolloo, alsof er niets gebeurd is. Staan morgen vroeg op. Loek gaat weer gewoon op school en ik? Ik heb rust en vakantie. En niemand vindt het gek. Maar dat kan toch niet lang duren, er zal wat moeten gebeuren.

Er was weer die voelbare, onzichtbare spanning, zo'n stilte die de storm vooraf gaat. Vrouw Boer zat rustig voor haar glaasje te snoepen, Vrouw Enting praatte en keek voortdurend in de verte naar de horizon. Geert Boer stond af en toe op en tuurde in de verte. lk was opgewonden, nerveus maar liet niets blijken. Een sigaretje rollen de uitstekende puntjes tabak weer in het doosje, was dagelijks werk. En als ik zo die boerenmensen zag, netjes gewassen en gekleed, zo goed gevoed zo gezond dan dacht ik:

Wat hebben zij nu van de oorlog meegemaakt?”

Als er een vliegtuig hoog in de lucht ronkte, gingen ze kijken. Als het even later in de verte een duikvlucht nam was een ieder het erover eens, dat ‘ie wat tröffen had.’ en er werd nog lang over na gesproken. Enting gaf zijn voorspellingen over de afloop van de oorlog.

Verbeeldde ik het mij of had Enting werkelijk iets te verbergen?

Hij had van die oogjes die twinkelden en zijn opmerkingen over aanstaande genadeslag van de strijd, van de z.g. eindfase, deden mij opmerken of hij soms bij Montgomery geweest was.

Die avond werd er wat afgekletst. De volgende dag verstreek zonder dat er iets verder gebeurde in Grolloo. En 's avonds gingen wij naar bed met de gedachte dat mijn vrouw jarig was, morgenochtend! Loek had bloemen geplukt, langs de slootkant. De volgende morgen feest! Mevrouw was jarig en kreeg van de familie een ‘worst’. ‘Dat was watte!’ Van mij een vossenhuid. Lever, de jachtopziener die familie was van Enting, had destijds het beestje op de jacht neergelegd. De eerste verjaardag buitenshuis! Wat kon het toch raar !open. 's Avonds zaten we weer gezellig een glaasje ‘wien’ te drinken. Er werd gepraat, gezongen. Jan zat te grinniken. Enting wist iets…… Ik zag het aan zijn ogen. Jan poetste aan zijn zilveren ring, die wij in Groningen gekocht hadden.

En het mooiste is,” zei de boer,
Je zult me niet geloven, maar er zitten Engelse parachutisten in de bossen bij Schoonloo.”
Hoor eens Enting, je kunt mij nog veel meer vertellen, maar zo vlug gaat het niet. Wat moeten ze hier met Parachutisten doen. Deze streek is van heel weinig belang voor de algehele oorlogvoering”
zo luchtte ik mijn militaire kennis.
Maar vraag het dan aan de melkrijder, die heeft ze gezien.”

lk deed wat gezegd was en inderdaad liet hij mij een Engelse Player” zien, die hij gekregen had. Ik was jaloers. Niet omdat hij een player” had neen, omdat hij het eerst een Engelse Parachutist gezien had.

Hij kon ze niet verstaan” vertelde de melkrijder en zij waren zo gauw weg.

Enfin nog enkele dagen. Dan zouden ze komen. In geweldig elan. Daveren zouden ze, die geweldige tanks, spuwend uit al de vuurmonden, daarachter de wagens vol geladen met troepen, kanonnen, mortieren, het zou een wapenschouw worden en wij zouden alles van achter de raamhorretjes zien. Jawel, dat nooit, als ze komen dan ga ik ze tegemoet dat had ik me zelf beloofd. Ik was daar gek, ik zou thuisblijven, niks hoor! Sjonge, sjonge en dan die honderden vliegtuigen die mee zouden komen! Nog een paar dagen!

De volgende dag was er niets bijzonders te bespeuren. Alleen de Todtarbeiders werkten niet en ik hoorde, dat de opzichters, de kanariepieten” gevlucht waren. Hoe bestaat het! Hier en daar hoorden wij in de verte enig snelvuur. Meer niet. De dag verstreek. De volgende dag een gewone dag, als alle andere dagen. Alleen bij Jans broer in het bos bij Servatius waren Duitsers, die overnacht hadden, weer aan het inpakken. Drie in getal. Ik ging eens poolshoogte nemen. Een feldwebel knikte vriendelijk goedendag. Wat overkwam mij? Droomde ik? Een Duitser, die vriendelijk tegen mij was. Noch nicht dagewesen! Ik moest voorzichtig zijn. lk nam een kop koffie van de boerin aan. Verdraaid, daar kwam de feldwebel weer binnen. Hij paaide” me en sprak over de Krieg” lk ook. Hij sprak over Hitler en niet over de Fuhrer, ik niet. Liet hem maar praten. Voorzichtig, je kon nooit weten. lk wou de bevrijding toch meemaken. Maar geen 3 minuten daarna gaf ik hem mijn visie over de hele kliek in Duitsland, over de stupiditeit van het volk, over de razzia's en het deporteren van burgers, vrouwen en kinderen, over de Jodenkampen. En het ongelooflijke gebeurde……..Hij gaf mij gelijk. Hij was volgens zijn zeggen geen echte Duitser, maar een Elzasser, die meer Frans voelde. Hij sprak ook dikwijls Frans thuis.

Hoe was het godsmogelijk! Je zou hem direct geloven. Ik stelde mijn vraag nu in het Frans. Jawel, geen woord Frans kende hij. Dacht zeker dat die Hollandse vent met zijn klompen aan geen Frans kende. Hij kon wel eens gelijk hebben. Veel kende ik er niet van, maar toch nog meer als die z.g. Elzasser”.

Ik gaf hem toen ik wegging nog een troost mee:

Duitsland was verslagen en zou een tijd tegemoet gaan zoals ze nog nooit meegemaakt hadden.”

Zie zo, hij ook getroost. 't Was niet fair. Maar begrijpelijk. Al mijn opgekropte woede had zich gelucht. Ik was voldaan. Voor het eerst tegen een echte Duitser mijn mening ongezouten” gezegd. 's Middags waren ze vertrokken. Toen ik om ongeveer 3 uur thuiskwam van een wandelingetje zag ik een Duitser met zijn feldgrau” vriendinnetje in de keuken bij vrouw Enting om eieren vragen. Ik was nu eenmaal brutaal geworden en vroeg hem of hij wist waar de Engelsen nu waren.

Das weiss Ich gar nicht, aber Ich glaube die Tommies sollen nicht hier kommen.”

Ik haalde mijn schouders op en ging weg, de stal in. Gaf de koe een klap op de rug. Gaf haar nog een pluk hooi. Ik voelde dat het leven veranderen ging. Er hing iets, in de lucht, iets ondefinieerbaars. Ik kwam weer de keuken in. Sloeg vrouw Enting op de schouder en gaf een aria ten beste. Rikketiktik in de verte. Hé wat was dat? Door het raam kijkend zagen wij drie Duitsers op gammele fietsen met anti plofbanden. Mooi stelletje! Het werd vijf uur. Het schieten werd toch duidelijker. Zou het dichterbij gekomen zijn? Weer twee Duitsers. Verdorie, een op de fiets met een Pantzerfaust'' over de schouder, de ander erachter alle kanten rondkijkend, revolver in de hand. De weinige nieuwsgierigen op straat verdwenen ijlings binnen. Ik weet niet wat ik had. Ik bleef rustig voor het huis staan. Niet bang zijn. Hij zou toch niet schieten. Waarom? Daar sukkelden zij verder. Rabbedebabbel met een hobbelfiets. Het Duitse leger. Wat een verandering buiten vroeger de 10 Mei 1940! Een en al wapengekletter parade pas en nu 12 April 1945 hobbeldebobbel antiplofbandfiets.

Sic transit gloria! De buurman, Willem Boer kwam aanslenteren.

Niks te doen Willem?” vroeg ik.
Nee, meneer” antwoordde hij
’t Was te gevaarlijk daar op de weg bij Schoonloo. In de verte zag je een boerderij branden. Overal hoorde je schieten.”
Zeg, Willem, schei nou uit, het duurt nog wel een dagje, dan zal je wat beleven, geloof mij maar.”
Er moeten toch al tanks in Schoonloo zijn want Gommers heeft ze gezien.”
Geloof toch al die praatjes niet. 't Zou mij niks verbazen als ze vanavond of vannacht hier zijn.”

Ik lachte maar eens en klopte Willem op de rug. Plotseling greep hij mijn arm.

Maar daar gaat er een!” riep hij.

Verdraaid, daar ging heel langzaam een kleine tank de loop van het kanon dreigend naar voren in de dorpsstraat. lk holde er heen, gevolg door mijn vrouw en Loek. Ik kon niet zo hard !open op die klompen. De vrouwen schreeuwden en riepen de mannen en kinderen binnen. Ik hoorde onder het lopen vrouw Enting nog schreeuwen:

Jan Enting, binnen blieven, hier kommen!”

Ik liep op de tank toe. Ik zag niemand erop. Daar ging het klepje open. Een zon gebrand gezicht onder een met netwerk overtrokken helm kwam eruit.

Are Germans here?” vroeg hij. Ik jubelde:
No, Sir except in the bushes of Rolde, 4 miles from here, patrouilles with dogs!”

Hij lachte

O.K.” en een paar onverstaanbare klanken in een microfoon en toen kwamen de overige tanks stofwolken achterlatend.

In een ommezien waren wij omringd door soldaten en het was een ogenblik om nooit te vergeten. Engels spreken!

De boeren volgden mij en ik moest alles vertalen wat de Engelsen, die naderhand Canadezen bleken te zijn, mij over de krijgsverrichtingen vertelden. Ik kreeg een paar sigaretten, echte Virginia. De eerste, die ik opstak gaf mij een gewaarwording van een reisje met ballon de lucht in. 't Was een intens genot. Wat een weelde. Elke soldaat waarmee ik stond te praten gaf mij een sigaret, mijn vrouw kreeg zelfs een wittebrood, zuiver wit hoe was het mogelijk! Loek een rolletje zuurtjes. Overal gelukkige gezichten, glunderende koppen. Eieren werden aangesleept. Sigaretten wisselden van eigenaar. Overal liep ik rond te neuzen en overal vroegen de boeren mij om wat te vragen aan de Canadezen. Karren, auto's, vrachtwagens geweldig wat een massa. Hier en daar werd een plaatsje op een erf gemaakt om te overnachten. Pannen werden te voorschijn gehaald. Vlammetjes er onder en eitjes gebakken. Daar zag men onze bevrijders bezig om toilette maken. Zeep! Mijn vrouw kreeg een stukje. Zeep, in geen jaren gezien. Wat een dag, wat een dag.

Reis naar Drenthe 15Op het erf aan de tuin van Reinders, de smid van het dorp, stonden al de wagens van een bepaald onderdeel al netjes gerangschikt en de soldaten zaten op de grond zich vermakend met wat banjo muziek. Wat een dag, wat een dag. 0h, mijn heerlijke sigaretten. Jammer, dat het al weer donker werd. Ik praatte nog met een Canadees officier over naar huis gaan. Hij vertelde dat de orders waren:

”Alle burgers om 8 uur thuis, anders werd er geschoten. 't Is very dangerous.”

Ja, inderdaad, dan maar naar huis, Sigaretten, brood, zeep, heerlijk !

Vrij, vrij, wat een veldslag, geen schot zien lossen. Geen Duitsers gezien. Wat een dag! Eerst even nog een sigaretje roken voor het naar bed gaan.

 

13 april 1945: Tolk”

's Morgens vroeg op. Gauw een boterhammetje. Dan naar de Canadezen. Loek mee. Het verbaasde mij dat er veel dorpelingen achter ons aanliepen. Ik maakte een praatje met de soldaten en zij vertelden mij een en ander hoe ze overal met gejubel ontvangen werden. Zij wezen mij een grijsgroene auto, luxe wagen, die ze op de Duitsers veroverd hadden.
Je kon heel vaag de omtrekken van een rood kruis op de achterkant zien. Een van de soldaten vertelde mij dat zij bij Apeldoorn die rode kruiswagen hadden aangehouden, waarin vier stafofficieren zaten. De papieren wezen uit, dat zij het rode kruis teken misbruikt hadden.

Wij hebben ze alle vier gefusilleerd” liet hij er op volgen. Verder werd er niet over gesproken, 't was alles heel gewoon……….

Loek kreeg een stukje chocolade en kauwgum. Overal zag je soldaten bedrijvig met ontbijt, lezen, wagens nakijken, papieren inkijken. lk zat te genieten boven op een platte boerenwagen, sigaretje in het hoofd.

Dat was nu de bevrijding. Deze sterke jonge kerels waren onze bevrijders! Nergens keurige uniformen, neen ze liepen er bij met opgestroopte mouwen, in kaki overhemd, ongedwongen. Daar kwam er zo eentje naar mij toe.

lk hoorde dat U Engels sprak”, begon hij
en ik wilde u vragen of u bereid bent met mij mee te gaan naar een boerderij daar achter het bos. De soldaten klaagden vanmorgen dat zij zo onvriendelijk ontvangen waren. lk vermoed dat zij collaborateurs zijn. Gaat u mee?”
Natuurlijk!” antwoordde ik.

Onderweg nam hij nog twee man mee. De stengun, een geweer met 32 schoten hing achteloos over zijn schouder. Bij de boerderij aangekomen vroeg hij, of ik bang was voor schieten.

Geef mij maar een revolver” zei ik.

Maar dat mocht niet. Burgers mochten dat niet. lk trof in de boerderij een burgerjuffrouw die bij ondervraging vertelde dat haar man weliswaar N.S.B.-er geweest was maar allang niets voor gevoeld had en thans naar Groningen was om ontslag te nemen uit de Arbeidsdienst”. Ik vertaalde het voor hem. In de hoek van de kamer zat nog een man die een kostganger bleek te zijn. Ik vroeg naar zijn papieren en vertelde hem dat dit een opdracht was van het Canadese leger. Hij liet zijn papieren zien. Een pracht Duitse naam. Hopman bij de Arbeidsdienst. Volgens eigen opgave 1 september 1944 ontslagen. Ik vertaalde het. De Canadees begon te lachen.

Ga maar mee” zei hij,
die vent moeten wij niet hebben.”

Ik wandelde mee. lk keek nog eens om en daar kwamen waarachtig stiekem nog 2 anderen die onze tocht naar de Boerderij gedekt hadden met hun stengun. Gezellig keuvelend kwamen wij bij Geert Boer, die glazen melk in liet schenken. Jans Boer kreeg sigaretten en ondergetekende natuurlijk ook. Daarna weer naar het kamp. lk ben nog een uurtje gebleven en ben toen naar huis'' gegaan, na beloofd te hebben om weer gauw terug te komen. En ik kwam terug. Natuurlijk! Ik was nog even bij een groepje soldaten en ik vertelde van mijn leven hier van de bezetting, van de honger in Den Haag, van mijn betrekking. Degene, die mij 's morgens verzocht had als tolk op te treden, ging naast zitten en schreef zijn naam en adres in Canada op een stukje papier. Hij was stafsergeant en op kantoor geweest van een grote firma. (lk heb later nog met hem gecorrespondeerd.) Zo vloog de tijd om en mijn vrouw en Loek kwamen kijken waar ik was. Loek kon een heuselijk Duits geweer” krijgen. Maar ik vond het beter dat hij dit niet aannam. Andere jongens kregen er toen een, maar de veer of de koppeling of zo iets was er uitgehaald. 't Was een pracht dag voor Grolloo. 't Was feest!

't Was een gezellige middag. Ik zwierf in het kamp rond en voelde mij een koning te rijk. Jammer dat door een van de radiowagens bericht kwam dat President Roosevelt overleden was. ‘He was a good fellow.,’ hoorde ik een van de Canadezen opmerken. lk kreeg verschillende Canadese couranten en las van de vorderingen die de geallieerden in Duitsland gemaakt hadden.

Eindelijk iets anders! Geen leugens meer, geen propaganda van Gobbels, Hier zag je met eigen ogen het stuiptrekkende Hitler-Duitsland verslagen worden. Ik wankelde naar huis. Een fles petroleum voor vrouw Enting een paar splinternieuwe zolen voor mijn schoenen gekregen van de leger schoenmaker, sigaretten voor mij, een rolletje pepermunt. Ik was rijk!

Meneer is maar bij de Canadezen” zei vrouw Enting, maar ze was blij met de olie voor de lamp.

Daarna ging ik weer even kijken. Toen terug om te eten. Daarna weer naar het kamp. Meneer Servatius was er ook, een oude heer, die in het bos woonde. Hij vertelde, dat er Duitsers de weg naar Amen gevlucht waren, 4 in getal. Ik vertaalde het aan de Stafsergeant. Hij commandeerde drie man kroop op de brencarrier” en in razende vaart verdween het stel richting bos. Even later hoorden wij schieten. Wij zagen de lichtpunten van de kogels over het bos heen vliegen. Even later zagen wij 4 Duitsers in looppas de handen in de hoogte over de weg !open. Daarachter de brencarrier, een blonde Canadees bovenop. De Duitsers kwamen in ons” kamp en werden ondervraagd. Zij waren kennelijk geschrokken en konden zich blijkbaar niet realiseren dat zij krijgsgevangenen waren. Zij werden in een luxe auto gezet. Twee voorop op de bumper. De Canadese soldaat zei dat ze goed hun pet op hun hoofd moesten zetten, omdat anders deze konden afvallen. Zij begrepen dit niet zo goed en lieten dit afweten.
Rrt weggevoerd naar Rolde. Er werd hier en daar nog wat nagepraat en ik ging weer het kamp in. Voor ik echter met Loek naar binnen ging werd ik door een boer gewaarschuwd dat er een Duitser op de fiets was gevlucht richting Amen.

Of ik het maar aan de Canadezen wilde vertellen.”

Ik deed het en wees hun hoe ze gaan moesten. Maar de Staf Sergeant besliste heel laconiek dat ik mee moest in de brencarrier en voort ging het. lk wees hun de weg. Wat ging dat hard en wat veerde het lekker! Ik stoof de boerderij van Enting voorbij. Misschien zag mijn vrouw mij nog. Neen niets te zien. Loek had ik onder de hoede van een oudere Canadees in het kamp achter gelaten. Die was ook goed bezorgd. Ik keek eens om mij heen. Bovenop zat de Staf Sergeant, die mij de raad gaf om te duiken achter het stalen scherm, als er teruggeschoten werd.

Don't be afraid” zei hij.

Ik was helemaal niet bang en vroeg om een stengun. Maar dat mocht helaas niet zoals ik al wist. Burgers mochten geen wapens dragen. De wagen stokte bij een boerderij en wij stelden een onderzoek in. Geen Duitser te zien ook niet voorbij gegaan. Volgende boerderij. Ook niet. Zo ging het verder, totdat ik adviseerde om terug te gaan. Wij onderzochten elke strobunker, niets te zien. Dan maar weer terug en op dat smalle weggetje keerde de kar, door zich in tweeën te delen, geloof ik. Wij stonden plotseling weer richting huistoe. Hoe ze dat klaarspeelden begreep ik niets van. Zonder de kanten van de weg te raken was de kar omgekeerd. In het camp” werden wij weer met gejuich ontvangen en Loek was weer blij dat zijn vader thuis was, want er werd nog aardig geschoten. Zie zo, ik was weer thuis. Gauw naar mijn vrouw. Ik kreeg onderweg weer een doos sigaretten van de Canadees, die Loek beschermd had tijdens de veldtocht van zijn vader. Mijn vrouw was reeds naar bed en toen ik vertelde dat ik op het oorlogspad geweest was, schrok zij. lk vertelde haar het een en ander en het was tamelijk laat toen ik in het land der dromen was.

 

Grolloo na de bevrijding

De volgende dag was het mistig druilerig weer. Ik ging met Loek naar mijn vrienden, die aanstalten maakten om te vertrekken naar Groningen, waar hevig gevochten werd. Ik nam afscheid van mijn vrienden overzee, zeer tegen mijn zin, want ik had ze nog graag langer in Grolloo gezien.

Ik kreeg nog enige geschenken, een laatste handdruk en een belofte dat zij schrijven zouden. Een heeft er teruggeschreven, de Canadees David Tweddle, woonachtig in Moose Jaw, Saskatchewan. Hij maakt het goed in zijn burgerbaan. Daar stonden we, Loek en ik. Loek uitte zijn teleurstelling.

Niets aan te doen” zei ik en wij gingen naar huis.

Amerweg de boerderij op de voorgrondMaar het was net, of er iets heen gegaan was, dat nooit meer terug kwam. Het dorp lag stil en verlaten. Af en toe raasde er een motorrijder voorbij. Karresporen en tanksporen bewezen dat er soldaten geweest waren. Grolloo was zonder bezetting. Ik kroop weer op de strobult en mijmerde nog wat na. Jammer dat de Canadezen weg waren. Het land was bijna bevrijd. Nu zouden we naar Den Haag teruggaan. Nog enkele dagen en wij zouden ons huis weer zien, gehavend, verbrand. Wat moesten wij beginnen?

Ik begon plotseling naar huis te verlangen. Eerst zou ik mijn neef in Groningen eens opzoeken. Ik sprak er eens over en ik zou de fiets van vrouw Enting krijgen. Ik ging, na een paar dagen het weer afgewacht te hebben op weg naar Groningen. Ik zal u niet vermoeien met te vertellen hoe ik honderden en honderden tanks op de Groningerstraatweg zag voortstuiven. Het was daar nog volop leven. De stad Groningen was vooral in de binnenstad geweldig gehavend. Trotse gebouwen waren een puinhoop geworden. lk vond mijn neef terug als lid van de ondergrondse beweging. Een oranjeband om de arm. Hij was altijd lid geweest, vertelde hij en gaf een opsomming hoe Groningen bevrijd was. Dat scheen er heet te zijn toegegaan. Ik hoorde tevens dat hij van de politie in Den Haag had gehoord dat vrijwel het hele Bezuidenhout vernietigd was, maar dat mijn huis nog volkomen gaaf was. Gelukkig maar. 't Is toch altijd beter te weten dat wij weer in ons eigen huis zouden terugkeren, als het zover was. Ik ben weer naar huis gegaan en de gehele dag door zag ik weer Canadese tanks en vrachtauto's. Maar ik was heel wat beter gehumeurd dan toen ik met mijn vrouw in de moffentijd van Groningen naar Grolloo met tegenwind fietste. Ik was veilig thuis gekomen en vernam toen dat alles zo rustig was, dat het leek alsof er geen Canadezen geweest waren.

De volgende morgen maar weer eens rondneuzen hier en daar. Dat begon te vervelen. N.S.B.-ers werden opgepikt en de school ingebracht, dat was het enige waar de boeren over praatten. Neen, dat was niets voor mij. Ik leende een fiets, ging naar de gemeentesecretarie en kreeg toestemming om daar als ambtenaar te werken.
Zij wilden mij graag hebben. Ik zou een fiets ook krijgen. Zolang er geen verbinding met het westen van het land was, wilden zij mij graag als ambtenaar te secretarie in Rolde hebben.

Ik kwam thuis en vertelde het mijn vrouw. Zij vond het ook beter om voor het Vaderland te werken, beter dan luieren, maar ik kon toch ook eens in Assen proberen, om eens te vragen of er een auto naar het Westen ging.

Ik kwam bij een militaire instelling in Assen om te vragen of zij misschien mij van dienst konden zijn om mij naar Den Haag te dirigeren. Maar dat kon niet. Het was nog steeds oorlog daar. Er ontwikkelde een gesprek met een der Kapteins en hij vroeg mij of ik zin had om tijdelijk voor het Militaire Gezag te werken in Assen als chef van de Documentatie dienst. Dat was iets voor mij! Ik accepteerde en wij spraken af dat wij de volgende morgen de noodzakelijke dingen zouden bespreken. Zo, dat was dat. lk fietste opgeruimd naar huis en trof de familie geheel compleet. Ik vertelde mijn wedervaren en het drong eigenlijk niet eens tot ons door hoe alles nu veranderen zou. Ik moest dus werken en 's avonds zou ik thuis zijn bij de boer. Vrouw Enting verklaarde toen, dat alles nu ging wijzigen. Zij zou binnenkort op het land moeten gaan helpen. Jan moest naar school en het werd nu ‘drok’. Mevrouw moest eens ‘kieken’ of ze in Assen kon gaan wonen, nou meneer weg was. Dat was waar ook. Wij konden niet ten eeuwige dagen blijven. Mijn vrouw vond het wel fijn en Loek vroeg of ik nu een uniform zou gaan dragen. Maar dat was in schoot der toekomst verborgen.

 

Assen

Mijn eerste kennismaking met mijn nieuwe werkkring was niet zo bijzonder aangenaam. In 5 minuten had de kapitein Van Dalen een en ander vastgesteld. Daarna nam hij mij mee naar een afdeling, die afzonderlijk in een ander gebouw was ondergebracht. Daarna gingen wij weer terug naar ons gebouw in de Stationsstraat dat onmiddellijk grensde aan het gebouw van de Politieke Opsporingsdienst. Het waren twee herenhuizen, die door een gang met elkaar in verbinding stonden. De kapitein verklaarde dat hij nu alles had laten zien, stapte op een klein motorfietsje en liet mij verder aan mijn lot over. Daar stond ik. Of liever ik zat, achter een schrijfbureau. Het eerste wat er gedaan moest worden was orde op zaken te stellen. Ik had ongeveer 25 man die in verschillende kamers ondergebracht waren en die zo'n beetje zaten te klungelen. De een deed dit, de ander dat, kortom er zat geen lijn in. Ik riep ze allemaal bij elkaar, hield een korte toespraak en zette tevens het een en ander uiteen hoe ik de gang van zaken wenste. Ik maakte een bureau-indeling enz. schreef de namen van het personeel op kaartjes, kortom de eerste dag was hopeloos druk. 's Middags kwam de kapitein terug en vroeg mij of ik een ontwerp voor een kaartje wou maken voor het kaarten archief. Ik deed het en wij bestelden al vast 20.000 kaartjes. De zaak kon draaien. Van stapels paperassen werden namen van N.S.B.-ers en aanverwanten genoteerd en op kaart gebracht. Een reuzenwerk maar het vlotte. 's Avonds werd ik met een auto thuis gebracht en het hele dorp liep uit om mij te zien. Vergeet niet dat een militaire auto in Grolloo een bezienswaardigheid was.

Dat heen en weer reizen was mij echter niet naar de zin. Ik bleef als het erg druk was in een hotel logeren, maar dat was voor mijn vrouw niet erg aangenaam. De kapitein voelde er ook niet veel voor om mij telkens per wagen naar huis te laten rijden en zodoende bleven wij napraten of er ook iets anders op te vinden was. Een woning! Dat was een oplossing? Het geluk was met ons. Een paar huizen verder van mijn kantoor was een huis, waarin de S.D. (Sicherheits Dienst) gewoond had. Het was nog gemeubileerd en de medebewoner, die verdacht werd van collaboratie was door de Canadezen gevangen genomen. Die woning nu werd in beslag genomen door het Militaire Gezag. De Inspectie der P.O.D. ging aan de voorkant huizen en wij kregen de achterzijde, bestaande uit huiskamer keuken en bijkeuken en een slaapkamer met lits-jumeaux vaste wastafel, parketvloeren kortom een prachthuis. Voeg daarbij het feit, dat er een grote tuin aan verbonden was en, men kan begrijpen dat mijn vrouw en ik in ons schik waren.

Wij trokken uit Grolloo begin Mei 1945, uitgeleide gedaan door vrienden en bekenden uit het dorp, dat juist het bevrijdingsfeest vierde. Zie zo, wij gingen in Assen wonen. Hoe kan het toch gek lopen in de wereld! Nu woonden wij in Assen en wat er in Den Haag met ons meubilair was, wisten wij niet. Ja, toch! Iets wisten wij, nl. dat een neef in Assen was aangeland om zijn broer op te duikelen. Ik had dat toevallig gehoord en van hem vernam ik dat Tante Ko bij het bombardement van Den Haag het leven had verloren, dat Pa ongedeerd was en dat al mijn meubilair in een pakhuis in de buurt van de v.d. Vennestraat was opgeborgen. Mijn vrouw was geschrokken van die tijding. Ons mooie boeltje! En tante Ko overleden! Sjonge, wat een treurige tijding hadden wij toen in ontvangst genomen. Wij waren er stil van. Maar het leven eiste zijn rechten. Wij installeerden ons in de nieuwe woning, die behaaglijk gemeubileerd was. Na enige tijd kregen wij nog enige medebewoners, een kapitein S. en een luitenant 0., daarna kwam een secretaresse. Het huis was groot genoeg en kamers over.

Het huis was van onder tot boven schoongemaakt door N .S.B.-ers en vrouwen daarvan, die ik met toestemming van de Directeur van het Huis van Bewaring aan het werk gezet had. Een van de vrouwen, een Duitse, maar een zeer fatsoenlijke vrouw hadden wij voor vast aangenomen. Het vervelende was, dat ik haar telkens naar het huis van Bewaring moest brengen. Soms mocht Loek haar halen uit de gevangenis en haar begeleiden naar ons huis. Ik heb met behulp van kapitein S. haar uit de gevangenis weten te krijgen en zij kwam daarna onder dagelijks toezicht, onder onze verantwoording. Wij hadden een tamelijk rustig !even. Er werd zelfs een gezellige feestavond gehouden voor het personeel van de Dienst. Een aardige avond met een voordrachtje en toen ik zo terloops opmerkte dat er best een toneelclubje kon gevormd worden, werd er die avond reeds op gezinspeeld, dat ik voor eventuele gegadigden voor toneelstuk mijn krachten maar eens moest geven. Ik heb het gedaan en met succes. Weldra had ik een aardig stelletje bij elkaar.

Wij belegden een vergadering er werd een toneelstuk gekozen, dat beslist opgang zou maken Adel in Livrei”. Alleen ik zou niet meespelen. lk was regisseur. Daarbij kwam nog, dat mijn vrouw en Loek en ik juist die week naar Den Haag zouden gaan. Van mijn jongste zuster uit Den Haag kregen wij sombere berichten omtrent ons meubilair. Zij hadden veel gered, maar een groot deel was vernield aangetroffen. Wij moesten en zouden naar Den Haag, dat begrijpt U. De kapitein kon mijn reisje niet weigeren, maar hij vermoedde dat zij mij bij de Pensioenraad zouden opvorderen en hij gaf mij een brief ondertekend door het Militair Commissaris van de provincie Drenthe mede, waarin uitdrukkelijk verzocht werd, mij ter beschikking te stellen van het Militair Gezag tot 1 september 1945.
De Pensioenraad moet u dan in ieder geval afstaan.”
zei hij. Ik kon in afwachting daarvan dus geen toneelrol in Assen gaan spelen. Weldra gingen wij met z'n drieën in een grote 3-tonner van het Rode Kruis opgepropt met mensen naar Den Haag. Na een tocht van 6 uur kwamen wij thuis met een koffer met 15 tarwe broden, roggebrood, enz. Mijn zuster verwelkomde ons hartelijk. Wij moesten ons behelpen met op de grond op een matras te slapen maar ach, wij waren in die periode van ons reizen en trekken niet verwend. De volgende morgen had ik na een bespreking met de Directie van de Pensioenraad de toestemming om weer terug te mogen gaan. De documentatiedienst zorgde voor een wagen naar Assen. Wij namen Pa mede, die moederziel alleen op een kamer in de Pasteurstraat woonde.

Laat ik u vertellen hoe wij onze meubeltjes vonden. Overal bij familieleden en kennissen ondergebracht. Hier ontbrak wat, daar was een incompleet bedstel Buffet incompleet. Japonnen weg. Schoenen idem. Kostuums, tafelzilver alles weg. De fiets van Loek was gered door een vriend, die in ons huis een vreemde aantrof, die juist het fietsje had klaargezet om een ander jongetje te geven. Ons mooie boeltje was een ruïne. Maar enfin, komt tijd komt raad. Wij trokken weer naar Assen. Loek nam zijn fiets mede. Nauwelijks in Assen of hij fietste al in de straat op en neer. En het werd zo'n gewoonte dat fietsen, dat hij een bekende figuur in Assen werd. Vader installeerde zich en deed zich tegoed aan behoorlijk eten. Zie zo, wij waren weer bij elkaar. Door het personeel werd ik hartelijk verwelkomd. Nu konden wij aan de toneelvoorstelling beginnen. En het werd een daverend succes. Wij speelden voor en ten bate van het Rode Kruis. De zaal in Bellevue in Assen was totaal uitverkocht. Er verscheen een mooie recensie in de Asser courant en wat ik destijds op de vergadering voorspeld had, gebeurde: Overal kregen wij verzoeken om het stuk te spelen, in Borger, Beilen, Gieten. Voor de Militairen in Assen, Zuidlaren enz. Het was een leuke tijd. Die zullen wij niet gauw vergeten.

De tijd op de Documentatie Dienst vloog om. De drukke werkzaamheden brachten mij met veel instanties in aanraking en het behoeft geen betoog dat wij zo langzamerhand vele kennissen kregen. Mijn vrouw vond het echt gezellig in Assen. Zij ging meerder malen naar Mevrouw Smit. Wij kregen dikwijls bezoek en voeg dan daarbij het feit, dat zij nooit alleen was: Pa was er en de Duitse hulp was dagelijks om haar heen. Ik had bij de Canadezen nog enige kennissen opgedaan. Een ervan kwam dikwijls bij ons in de tuin om een praatje te maken. Met de Town Major in Assen die naast ons woonde, gingen wij zeer vriendschappelijk om. De kok bij de Town Major was een Brabantse jongen die ons vele kleine diensten bewees.

Hij zorgde ervoor dat het vlees behoorlijk van vet voorzien was, gaf af en toe thee en koffie, die destijds zeer schaars waren. Geen wonder, dat hij als kind in huis was. Wij hebben zelfs gezorgd, dat hij een meisje kreeg, die hem weldra naar Boxtel volgde. U ziet, wij verveelden ons niets. Jammer was het, dat het werk op bureau geen bevrediging schonk. Wij deden ons best. Er heerste een kameraadschappelijke geest, maar de kapitein gaf dikwijls door vage opdrachten een dissonant, die niet naliet storing teweeg te brengen. Ik was dikwijls niet met hem eens en meermalen moest hij op gezag van hogerhand erkennen dat hij ongelijk had. Prettig was het niet. De tijd vloog echter om en weldra maakten wij ons reisvaardig om naar Den Haag te gaan.

Op 27 augustus 1945, na een afwezigheid van ruim een half jaar kwam ik in Den Haag aan. Mijn vrouw en Loek bleven bij Tante Bets in Haarlem die hen zolang in huis nam totdat ik een huis gevonden had. Eerst na 6 weken verblijf in Den Haag slaagde ik erin, definitief een huis te krijgen. Het is een aardig huis, mooier dan wij gehad hebben. Met de rest van onze meubelen hebben wij, zo goed en zo kwaad als dat kan ons geïnstalleerd.

Wij leven weer ons gewone leventje. Loek is vlakbij op school. De Pensioenraad is 5 minuten afstand. En telkens als wij zo 's avonds met z'n drietjes thuis zitten, dan denken wij dikwijls aan de tijd in Drenthe doorgebracht en aan de reis met zijn vele beslommeringen, voor- en tegenspoed, maar een ding stond voor ons vast: Wij hebben de Drentenaar leren kennen en waarderen, als een goed mens, aanvankelijk stug, maar geheel te vertrouwen.

 

Gerrit van Lochem
geb. 11-8-1900. overl.18-7-1986

Reis naar Drenthe Lou

Opnieuw bewerkt door Loek van Lochem (foto). december 1995.